Wat is de betekenis van Naam?

2020
2021-10-28
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Naam

Data

2019
2021-10-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

naam

naam - Zelfstandignaamwoord 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen 2. bekendheid, reputatie 3. *naam maken, bekendheid verwerven Woordherkomst Germaans namon van het Indo-Europees h₁nḗh₃mn̥ (naam) Verwante begrippen adres, woonplaats, postcode, nomenclatuur, pseud...

Lees verder
2018
2021-10-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

naam

naam - zelfstandig naamwoord 1. woord waarmee je zegt hoe iets of iemand heet ♢ mijn naam is Jaap de Jong 1. het mag geen naam hebben [het betekent niets] 2. ik kan niet op zijn...

Lees verder
2000
2021-10-28
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Naam

Gods naam ijdel gebruiken, Gods naam zinloos, onterecht gebruiken, ofwel: vloeken. Een naam, bepaalde woorden e.d. ijdel gebruiken, iets zonder reden zeggen of noemen; valselijk, leugenachtig, onwaar over iets of iemand spreken. Deze uitdrukking gaat terug op een van de Tien Geboden; Exodus 20:7, ‘Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel g...

Lees verder
1998
2021-10-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Naam

1. mijn - is haas(met de verzwegen toevoegingen ik weet van niets/ik woon in het bos).Deze zegswijze is ontleend aan het Duits (Mein Name istHase, ich weifivon nichts)en wordt gebruikt als antwoord op een vraag die men liever niet beantwoordt. Verwijst naar een voorval te Heidelberg in 1854 -1855, waarbij een student in de rechten, Victor von Hase,...

Lees verder
1997
2021-10-28
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

naam

zie hemel.

1990
2021-10-28
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

naam

naam - Woorden of frasen die de individuele aanduiding zijn waaronder een bepaald persoon of ding bekend staat, waarmee ernaar wordt verwezen of waarmee deze wordt aangesproken.

1973
2021-10-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

naam

m. (-namen), 1. woord waarmee een persoon of zaak wordt aangeduid, hetzij als categorie of als individu (e) : hij is de ー van mens onwaardig; m.n. het van geslacht op geslacht overgaand woord waarmee de personen van een familie worden aangeduid, familienaam: hoe is uw — ?; iemand bij zijn ー noemen, geen titel gebruiken voor zijn familienaam;...

Lees verder
1971
2021-10-28
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Naam

Naam - het is gebruikelijk dat een jacht een naam voert. Deze wordt op de spiegel, op het boord of op een speciaal naambord aangebracht. Onder de scheepsnaam (op de spiegel) worden vaak de namen van de watersportvereniging waarvan de eigenaar lid is en van de thuishaven geschilderd.

Lees verder
1955
2021-10-28
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

NAAM

werd door oude volken niet beschouwd als willekeurig gekozen, maar als aanduiding van het wezen van de naamdrager. Bij primitieve volken krijgt het pasgeboren kind eerst een eigen leven door de naamgeving, die dan ook een feestelijke plechtigheid is. Wie iemands naam kent, verstaat daardoor zijn wezen en kan zodoende magische macht over hem krijgen...

Lees verder
1952
2021-10-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Naam

s., namme; slechte —, kweanamme; een slechte — hebben, op in minne, forkearde, rare, swarte namme lizze; de — hebben van, op ’e namme, it wurd lizze fan; een slechte — bezorgen, op in kweanamme bringe; met zijn — ondertekenen, de, jins namme sette; een andere — g...

Lees verder
1950
2021-10-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Naam

m. (namen), 1. woord waarmede een persoon of zaak wordt aangeduid, hetzij als categorie of als individu: hij is de naam van mens onwaardig; de namen der maanden; — in ’t bijz. het van geslacht op geslacht overgaand woord waarmee de personen van een familie worden aangeduid, familienaam: hoe is uw naami; iemand bi...

Lees verder
1949
2021-10-28
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Naam

aanduiding voor personen of zaken. Persoonsnamen zijn bij oude of minder beschaafde volken gewoonlijk afgeleid van een eigenschap van de genoemde. Overigens geschiedde en geschiedt de naamgeving bij de verschillende volken op verschillende wijzen. Bij de Germanen ontstonden familienamen eerst in de middeleeuwen, bij de adel sedert de 12e eeuw; zij...

Lees verder
1933
2021-10-28
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Naam

woord, ter aanduiding v/e persoon, dier of zaak. Personen hebben steeds meer dan één naam; voorn. en achter- of familien. De laatste op verschill. wijze ontstaan, b.v.:1) 2e naamv. v. voorn.; 2) voorn, met -zoon of -sen; 3) naar oorspr. woonpl; 4) oorspr. bij- of spotn.; 5) naar het oorspr. beroep, enz. Familienaam kan in Nederland s...

Lees verder
1933
2021-10-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Naam

(Ned. recht). Bij keizerlijk decreet van 18 Aug. 1811 worden degenen, die in Ned. nog geen geslachtsnaam hadden, verplicht er binnen het jaar een aan te nemen. Bij decreet van 17 Mei 1813 werd deze termijn verlengd tot 1 Jan. 1814. Een nieuwe regeling werd vastgesteld bij K.B. van 8 Nov. 1852; nogmaals werd een termijn van zes maanden gegeven.De we...

Lees verder
1926
2021-10-28
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Naam

Evenals onder ons is de naam in de bijbelsche gedachtenwereld mede bedoeld als een merkteeken om den één van den ander te onderscheiden. Het hebreeuwsche woord duidt dit ontegenzeggelijk aan. De eerste mensch had uiteraard geen persoonsnaam noodig, hij was alleen en kon niet met anderen verward worden, hij heette daarom eenvoudig Mens...

Lees verder
1916
2021-10-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Naam

Naam, - zie GESLACHTSNAAM, EIGENNAMEN en VOORNAAM.

1898
2021-10-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Naam

Naam m. (namen), woord waarmede een persoon of zaak wordt aangeduid, benaming: hij is den naam van mensch onwaardig; de namen der maanden; hoe is uw naam?; — bij name, namelijk, met den naam van; — in naam des Konings, op gezag van den Koning; — zeg hem uit mijn naam, op mijn verzoek, op mijn bevel, (ook) zeg hem dat ik zeg; &m...

Lees verder
1898
2021-10-28
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Naam

zie Eer, zie Benaming.

1870
2021-10-28
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Naam

Een naam is een woord, hetwelk een bepaald wezen aanwijst, derhalve een eigen naam (nomen proprium), en moet alzoo onderscheiden worden van het gemeen zelfstandig naamwoord (nomen commune) der taalkundigen, hetwelk een begrip, eene soort of een geslacht aanduidt. De namen der aloude bewoners van het Oosten waren veelal ontleend aan die der godheid...

Lees verder