Naaimachines betekenis & definitie

Naaimachines zijn werktuigen, welke dienen om naden te maken langs werktuigelijken weg en alzoo bij besparing van veel tijd fraaije, gelijkmatige naden van verschillende soort te verkrijgen. De eerste twee bruikbare naaimachines waren te zien op de eerste wereldtentoonstelling te Londen.

De eene, vervaardigd door Judkins te Manchester, naaide met 2 draden, van welke de eene gehaald was door het oog eener aan een op- en neêrgaanden hefboom bevestigde naald. Bij het neêrgaan drukte die hefboom de naald met den draad door de stof, maar bij het opgaan vormde de draad wegens de wrijving een oog of lus, waar een stalen schuitje met een tweeden draad doorheenging, waarna bij den volgenden neêrgang de voorgaande steek werd aangehaald (zie fig. 1).

In de andere machine, uitgevonden door Magnin te Ville Franche in het Rhônedepartement en cousobrodeur genaamd, omdat men er meê naaijen en stikken kon, werkte slechts één draad; deze was gewonden om een spoeltje, beneden het tafeltje der machine geplaatst, liep vandaar door het oog van een bewegelijken draadleider en bewerkte door een gat in het machinetafeltje de daaronder aanwezige stof. De naald had geen oog, maar een haakje bij de punt, evenals de haaknaalden; zij was voorzien van een beweegbaar kokertje met een wratje, dienende om bij den terugkeer van de naald de stof tegen te houden. Bragt men de machine in beweging, dan daalde de naald en drong door de stof, terwijl zij zich zoodanig bewoog, dat telkens een strik gevormd werd, waar de draad bij de volgende daling der naald werd doorgehaald (zie fig. 2).

Beide soorten, zoowel de tweeals de ééndraadsmachines, hebben echter na dien tijd vele wijzigingen en verbeteringen ondergaan.

Eene ééndraadsmachine is die van Watson, in fig. 3 en 4 afgebeeld. De onderste plaat C (fig. 3) draagt op de standers B B het tafeltje A vóór de stof. Aan de linker hand ziet men den stander D met den arm E, die in den voet s eindigt, waardoor de stof op het tafeltje gedrukt wordt, terwijl de verschuifbaarheid onbelemmerd blijft. Een tweede arm T is draaibaar om de stift a, draagt links den klos F en bevat regts de naald e, door de schroef u vastgehouden. Het onderste gedeelte van dien arm eindigt in den langwerpigen ring G, die eene door de hoofdas K gedragene excentrieke schijf N omvat. Van 2 andere desgelijks op K aangebragte schijven (L en I) brengt de excentrieke schijf L den hefboom M in beweging, welke in y beweegbaar is en tot regeling van den stofverschuiver j dient. Deze laatste bestaat uit een getand rad, hetwelk door eene sleuf in A gaat en de stof voorwaarts schuift.

De schijf I is hartvormig en geeft aan den haak i eene voor- en achterwaartsche beweging. Het boveneinde van deze haak loopt onder het tafeltje heen en wordt door het uitsteeksel k (fig. 4) en de in de sleuf l beweegbare schroef p bestuurd. Een hefboomsarm t is door de schroef n aan den haak i eenigzins draaibaar vastgehecht. Deze grijpt door middel van de stift x (in de schuinsche gleuf w beweegbaar) in den hefboom d, die door de schroef o in de gleuf q bestuurd en door eene veer, welke op de stift h werkt, naar achteren gedrukt wordt. Een dergelijke, om de stift z draaiende hefboom f staat door de stift r met het voorste uiteinde van den haak i in verband. De stift c regelt de beweging van den hefboom d, en d en f loopen uit in de haken b en g.

Bij het naaijen wordt de draad van den klos F door eene opening in het boveneinde van den bovenarm T en verder door het oog van de naald e gehaald, waarbij men het uiteinde in de hand houdt. De stof wordt op het tafeltje gelegd en de machine in beweging gebragt. De excentrieke schijf N drukt den ring G naar beneden en alzoo ook de naald met den draad. Gaat voorts bij een verder draaijen de naald omhoog, dan vormt de draad de lus v (fig. 3). Op dit oogenblik begint de hartvormige schijf I den haak i voorwaarts te schuiven: de haken b en g grijpen de lus en houden haar vast. De naald is inmiddels weder naar de hoogte gegaan; de schijf L heeft het achterste gedeelte van den haak M naar beneden gedrukt en de stofverschuiver heeft de stof een steek vooruitgebragt, waarna de neêrdalende naald juist door de door de haken opengehoudene lus gaat. Zoodra de naald zich in de lus v bevindt, verkrijgt de schijf I zulk een stand, dat de haken b en g de lus loslaten, welke nu door de dieper afdalende naald digtgetrokken wordt. Hierdoor ontstaat de kettingsteek van fig. 5.

De tweedraadsmachines zijn verdeeld in 2 klassen, namelijk die met den stiksteek en die met den dubbelen stiksteek. De eerste zijn wederom gesplitst in 2 soorten, naar gelang het doorhalen van den ondersten draad met een haakje of met een scheepje geschiedt. Tot de eerste soort behooren de naaimachines van Platt en van Wheeler en Wilson. Eene machine met een scheepje, volgens de constructie van Bollmann, is afgebeeld in fig 6; men ziet er, hoe de steek aangehaald wordt. De tong is aan het scheepje bevestigd en beweegt zich hiermede heen en weêr.

Wanneer het scheepje e naar de regter hand gaat, zweeft de tong a digt langs de naald, grijpt de lus en maakt ze wijder door haar bij voortgaande beweging over haar ligchaam te stroopen, terwijl de lus tevens door den dubbelen haak b vastgehouden wordt. Snelt het scheepje naar links, dan wordt de lus door de andere zijde van den dubbelen haak vastgehouden en het scheepje sluipt er door, terwijl de naald naar boven gaat. Zoodra het scheepje het einde zijner baan bereikt heeft, schuift de draad van den dubbelen haak af en de lus wordt onder het scheepje weggehaald. Tevens worden bij die beweging naar de linker hand de bovenste en onderste draad gelijkmatig aangehaald, waardoor een naad gevormd wordt, die van boven en van onder gelijkvormig is. De stiksteekmachine kan zulk een naad en ook dien van fig. 1 voortbrengen, naar gelang van de spanning, welke men aan de twee draden geeft.

De naaimachine van Clark, in fig. 7 afgebeeld, maakt den dubbelen kettingsteek of den naad van Grover en Baker. Zij werkt met 2 naalden, doch alleen de loodregte (C) gaat door de stof, terwijl de waterpas onder het tafeltje geplaatste (I) enkel dient, om de lus van den ondersten draad te vormen. Zoodra de eerste naald door de stof gedrongen en daarna een weinig naar boven gegaan is, zoodat er eene lus werd gemaakt, dringt de tweede naald er in door en weêrhoudt ze, totdat de eerste naald hare opgaande beweging volbragt heeft. Bij het rijzen van deze naald beroert de stift f van den schuiver B den hefboom g en dringt de stang H’ naar beneden, welke met haar getanden voet de stof een steek naar voren schuift. De eerste naald gaat nu weêr naar beneden, en de tweede wordt teruggetrokken en laat ten gevolge der wrijving, door den schuiver N en den arm P veroorzaakt, eene lus achter, waar de tweede naald doorheen gaat. De dooreenslingering der draden bij dezen naad is voorgesteld in fig. 8; hier is de bovenste draad wat dikker geteekend, om de kronkelingen van den ondersten draad gemakkelijk te kunnen volgen.

De naaimachines worden in beweging gebragt door een handrad of door een trap met een wiel, zoodat men ze in dat opzigt onderscheiden kan in hand- en trapmachines. Waar men veel naaimachines gebruikt, bijv. in fabrieken van ondergoed enz., brengt men ze ook wel in beweging door stoom of door water.

Bij de gewone naaimachines heeft men doorgaans nog eenige andere toestellen, namelijk een zoomer, een watteerlineaal, een soutacheertoestel, een boortoestel enz. Voorts heeft men afzonderlijke machines voor het maken van handschoenen, alsmede voor het vervaardigen van knoopsgaten, alsmede — bepaaldelijk van Singer — voor schoenmakers en zadelmakers. Laatsgemelde firma te New-York heeft onlangs ook eene naaimachine voor boekbinders geleverd.

De eerste pogingen, om naaimachines te vervaardigen, werden reeds beproefd in den aanvang dezer eeuw; zij leden echter schipbreuk op het bekrompen denkbeeld, dat men de beweging der menschelijke hand bij het naaijen moest nabootsen. Zoo ging het in 1804 in Engeland met die van Stone en Henderson. Een kleermaker te Weenen, Madersperger genaamd, hield er zich in 1807 desgelijks mede bezig, doch kwam eerst in 1814 tot eene gewenschte uitkomst, toen hij genoemd denkbeeld had laten varen en den steek vormde volgens het thans algemeen aangenomen beginsel. De naaimachine van Thimonnier vond in 1829 eenigen bijval; zij vormde een kettingsteek. In Amerika hield Hunt zich het eerst met deze aangelegenheid bezig en verkreeg in 1834 octrooi voor eene naaimachine, die nog ver van hare hedendaagsche volkomenheid verwijderd was. In 1844 werd eene naaimachine vervaardigd door Gibbons en Visser in Engeland.

Van meer belang is de uitvinding van Elias Howe, wiens machine, van een scheepje voorzien, den dubbelen stiksteek vormde en 300 steken in eene minuut leverde. Hoewel hij daarvoor in 1846 octrooi nam, mogt hij er niet in slagen, de belangstelling der kapitalisten in zijne uitvinding te wekken, zoodat hij zijne uitvinding verkocht aan een zekeren Thomas met het verlof om ze na te maken. Deze bezorgde aan de naaimachine opgang in Engeland, en terwijl Howe, in dienst van den nieuwen eigenaar, zich beijverde de machine te verbeteren, begonnen ook in Amerika onderscheidene fabrikanten haar na te maken en in den handel te brengen. Slechts langs den weg van regten kon Howe den eigendom zijner uitvinding behouden en zich alzoo voor armoede en ellende behoeden.

Van de Amerikaansche fabrikanten bekleedde weldra Singer den eersten rang; hij bedacht onderscheidene verbeteringen, en zijne fabriek van naaimachines was weldra de grootste der geheele wereld. In 1874 leverde de Singer Manufacturing Company bijna 1/4de millioen stuks. Eerst langzaam kwamen de naaimachines in Europa in zwang, en de eerste Duitsche naaimachinefabriek, die van Pollack en Schmidt, verrees te Hamburg in 1863. Thans heeft men er verscheidene, en onder deze zijn er, die volgens het oordeel van bevoegde personen nog betere machines leveren, dan die van Amerika. Inmiddels zijn aldaar en ook in ons Vaderland, Frankrijk en elders de naaimachines algemeen verspreid.

Men heeft slechts eenige oplettendheid en handigheid noodig, om met de naaimachine om te gaan. Daarbij dient men naauwkeurig acht te geven op de spanning van de draden, omdat hiervan de vorming eener goede lus afhangt. Door middel van den steekverzetter kan men de beweging van den stofverschuiver regelen en dus de steken groot of klein maken. Sommigen hebben onderscheidene nadeelen van het bezigen der naaimachine opgesomd, maar het is zeker, dat zij een keurigen naad levert en daarenboven eene belangrijke tijdwinst bezorgt.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018