Naad betekenis & definitie

Een naad, in het algemeen eene zamenvoeging van twee kanten eener stof (bijv. van geweven goederen, planken, brons enz.), noemt men op ontleedkundig gebied den vorm eener onbewegelijke verbinding van beenderen, waarbij de ruwe, hoekige of getande randen van twee beenderen zoodanig in elkander grijpen, dat de uitstekende deelen van den eenen rand in de holten van den anderen komen te liggen.

Men vindt zulk een naad bij de beenderen van het hoofd; deze zijn allen, behalve de onderkaak, door naden onderling verbonden. Men onderscheidt ware en valsche naden. De eerste leveren vaster verbinding dan de laatste, daar zij meer volkomen tanden en holten hebben. Tusschen den rand der beenderen en de tanden ontwaart men eene witte streep, te voren ten onregte als kraakbeen aangemerkt, terwijl zij uit vezelig bindweefsel bestaat en zeer gepast met den naam van naadband kan bestempeld worden. Die naadband vertoont zich het duidelijkst gedurende den groei der schedelbeenderen. Later verdwijnt hij meer en meer en wordt bij den volwassen schedel allengs onzigtbaar. Op hoogen ouderdom verdwijnen de meeste naden der beenderen, zoodat deze laatsten tot één geheel worden verbonden. Indien echter de naden te vroeg vergroeijen, vóórdat de schedel den vereischten omvang verkregen heeft, dan worden de hersenen in hare ontwikkeling belet en de verstandelijke vermogens blijven beperkt.

In de heelkunde geeft men den naam van beenderennaad aan eene kunstmatige vereeniging van 2 gedeelten van een gebroken of opzettelijk weggenomen been, waartoe men zilver- en looddraad bezigt. Op dergelijke wijze vereenigt men ook de uiteinden van zenuwen pezen.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018