Maanen betekenis & definitie

Van Maanen. Onder dezen naam vermelden wij 3 broeders, geboren te ’s Gravenhage en zonen van mr. Johannes van Maanen, raadsheer in het Hof van Holland en Zeeland, en Maria van Overzee, namelijk:

Cornelis Felix van Maanen, geboren den 9den September 1769. Hij studeerde te Leiden en bekwam er den doctorsgraad in de regten op eene: „Dissertatio de ignorantiae et erroris natura, praecipue in contractibus et delictis”. Hij vestigde zich als advocaat in zijne geboortestad en werd er weldra secretaris. Niet lang na de omwenteling in 1795 zag hij zich benoemd tot advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland, Zeeland, en West-Friesland. In die hoedanigheid zag hij zich genoodzaakt, het doodvonnis te eischen tegen Repelaer van Driel, in die woelige dagen beschuldigd van hoogverraad, — een eisch, die hem tot zijne groote blijdschap door het Hof werd ontzegd. Door koning Lodewijk werd hij vervolgens aangesteld tot minister van Justitie en Politie. Daar hij echter weigerde eene geheime politie in te voeren, moest hij afstand doen van zijne betrekking, doch werd na Nederlands inlijving in het Keizerrijk eerste president van het Hoog Geregtshof. Na 1813 bevestigde koning Willem I hem in die waardigheid en benoemde hem voorts tot minister van Justitie.

Bij de zamenkomst der Notabelen, in 1814 door dien Vorst bijeengeroepen om over het ontwerp van staatsregeling te beslissen, opende hij op last des Konings de vergadering met eene redevoering, waarin hij de beginselen en gronden ontvouwde, waarop het ontwerp rustte. Ook was hij lid van de commissie tot herziening der constitutie, noodzakelijk geworden door de vereeniging der Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in 1815. Zijn ijver om de Nederlandsche taal overal in België in te voeren, bezorgde hem den haat der daardoor gekrenkte bevolking, zoodat bij den opstand in 1830 zijn hôtel te Brussel in brand werd gestoken. Moest hij aanvankelijk wijken voor den storm, koning Willem I herstelde hem weldra in zijne waardigheid. hij zag zich hierin bevestigd door Willem II, en ontving eerst in 1842 een eervol ontslag met den rang van minister van Staat. Nu wijdde hij zijne overige dagen aan de beoefening der fraaije letteren en overleed den 14den Februarij 1849. Hij bezat het grootkruis der Orde van den Nederlandschen Leeuw en was lid van de Tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, alsmede van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en van de Leidsche Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde. hij heeft „Gedenkschriften” nagelaten, die eerst 25 jaren na zijn dood het licht mogten zien.

Pieter Jacobus van Maanen, geboren den 2den November 1770. Hij studeerde te Leiden in de geneeskunde, bezocht als candidaat de hospitalen te Londen, verwierf in 1794 den doctorsrang, zag zich benoemd tot tweeden stadsdoctor te Kampen, en verkreeg het eermetaal bij het Bataafsch genootschap van proefondervindelijke wijsbegeerte te Rotterdam door eene Latijnsche verhandeling: „Over het regt gebruik van brillen en andere oogglazen”. In 1795 aanvaardde hij het hoogleeraarsambt in de genees-, ontleed-, heel- en verloskunde aan de hoogeschool te Harderwijk met eene oratie: „De studio chirurgiae nostra in patria melius excolendo et illustrando”. In 1806 in dezelfde betrekking te Groningen beroepen, zorgde koning Lodewijk, dat hij in Harderwijk bleef en benoemde hem tot consultérend geneesheer. Reeds het volgende jaar echter werd hij commissaris-generaal voor de geneeskundige dienst en gewoon lijfarts des Konings, en kort daarna ridder van de Orde der Unie en officier van ’s Konings Huis.

Hij vestigde zich te Amsterdam en bleef commissaris-generaal, totdat die betrekking bij onze inlijving in het Keizerrijk werd afgeschaft. In 1810 aanvaardde hij voorts het hoogleeraarsambt aan het Athenaeum te Amsterdam met eene redevoering: „De audacia chirurgica vere nobili, maxime salutifera”, doch toen zijne wenschen naar gepaste hulpmiddelen bij het onderwijs onvervuld bleven, legde hij in 1813 zijne betrekking neder, om zich onverdeeld aan de practijk te wijden. Hij bedankte voor een leerstoel aan de académie te Leiden, doch bleef werkzaam als secretaris van het Genootschap tot bevordering van genees- en heelkunde, en overleed den 16den November 1854. Men vindt van hem onderscheidene verhandelingen in geneeskundige tijdschriften.

Florentius Jacobus van Maanen, geboren den 26sten December 1777. Hij studeerde te Leiden in de godgeleerdheid en daarna te Harderwijk in de geneeskunde, vertaalde het geschrift van Blumenbach: „De varietate nativa generis humani (1800)” en verwierf kort daarna den doctorsgraad op eene dissertatie: „De natura humana sui ipsius conservatrice ac mediatrice”. Hij vestigde zich toen als geneesheer te ’s Gravenhage en werd er in 1806 benoemd tot lector in de schei- en artsenijkunde. Ook hield hij voorlezingen over dierkunde, kwam te Harderwijk in aanmerking voor een hoogleeraarsambt, bezocht in 1820 op last der regéring Groningen en Friesland om de koortsen aldaar gade te slaan, en werd daarna ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw. Voorts bekleedde hij onderscheidene gewigtige betrekkingen: hij was referendaris voor geneeskundige aangelegenheden bij het departement van Binnenlandsche Zaken, referendaris bij den Raad van State, raad-adviseur bij het departement van Binnenlandsche Zaken, wethouder van ’s Gravenhage, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid, commissaris en directeur van talrijke vereenigingen en van zeer vele geleerde genootschappen, en werd in 1848 staatsraad in buitengewone dienst. Hij overleed den 14den November 1861.

Laatst bijgewerkt 09-08-2018