Kanker betekenis & definitie

Kanker is een woekervormsel op een of ander ligchaamsdeel, zich voedend ten koste der weefsels, waarin hij ontstaat. Hij vernietigt er de oorspronkelijke weefsels en vormt andere, welke in het gezonde ligchaam niet aanwezig zijn. Men heeft goedaardige soorten van gezwellen of woekeringen, die door branden of uitsnijden voor goed verwijderd kunnen worden, maar ook kwaadaardige, die na de verwijdering op dezelfde plaats of elders terugkeeren.

Tot deze laatste behoort de kanker. De kankergezwellen onderscheiden zich door hunne pijnlijkheid (althans gewoonlijk) en door hunne neiging zoowel om bij voorkeur klieren aan te tasten als om tot verettering over te gaan. Intusschen is bijkans geen enkel ligchaamsdeel tegen kanker beveiligd.

Toen de ziektekundige ontleedkunde gebruik begon te maken van den microscoop, meende zij weldra de kenmerken van kanker te kunnen aanwijzen. Het is echter later gebleken, dat men dergelijke kenmerken ook bij andere gezwellen aantreft. In den laatsten tijd houdt men de aanwezigheid van kankersap, een melkachtig vocht, voor het hoofdkenmerk. Echte kanker is tot nu toe ongeneeslijk en komt, gelijk wij reeds zeiden, steeds terug. De geneeskundige behandeling dient alzoo eene verzachtende te wezen. Daar echter niet alle kliergezwellen, die een kankerachtig voorkomen hebben, waarlijk kanker zijn, is het steeds van belang het aangetaste deel zooveel mogelijk met het mes te verwijderen, en wel zoo, dat men opereert in het gezonde vleesch.