Gaan betekenis & definitie

Gaan noemt men een gelijkmatig voortbewegen van het levend ligchaam door middel van het verzetten der voeten, en van doode voorwerpen (wijzers van uurwerken enz.) door middel van een kunstmatig aangebragt drijfwerk. Door geringere snelheid onderscheidt zich het gaan van menschen en dieren van het loopen, en door zijne rustige beweging van het huppelen en springen. Het huppelen vindt men bij de vogels. De amphibiën en insecten hebben over het algemeen een kruipenden gang en bij de viervoetige dieren onderscheidt men den stap, den draf en den galop.

Het merkwaardigst is de opgerigte gang van den mensch. Het gaan van dezen kost veel oefening en wordt met moeite geleerd. Hij houdt zich daarbij op het ééne been in evenwigt, waarbij de armen dienst doen als balanceerstokken, en het andere been maakt daarbij eene slingerende beweging voorwaarts, om, op den grond steunend, op zijne beurt het ligchaam in evenwigt te houden, terwijl het eerstgenoemde been den grond loslaat en eene voorwaartsche slingerbeweging volbrengt. Uit die afwisseling van rust en beweging der spieren is het te verklaren, dat de mensch het gaan geruimen tijd zonder bezwaar kan voortzetten.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018