Kabel betekenis & definitie

Kabel was vroeger uitsluitend de naam van zwaar touwwerk, hetwelk aan boord van schepen gebezigd wordt. De draden of kabelgarens spint men van hennep. Een zeker aantal tot een bundel vereenigde en ineengedraaide garens vormt eene streng. Drie strengen, tot een tros ineengeslagen, leveren het wantslag, — vier het kardeelslag, — en 3 of 4 zulke trossen het kabelslag.

Het touwwerk, op die wijze vervaardigd, kan zeer verschillend van dikte zijn, daar de kabelgarens ongelijk van dikte, de strengen niet even zwaar en het aantal trossen verschillend kan wezen. Behalve de zware of ankertouwen, jaagtrossen enz., zijn ook de kabeltouwen van kabelslag vervaardigd; zij hebben de halve dikte der zware touwen en dienen bij het verhalen der schepen, bij het vastleggen van deze, worden op werpankers gestoken enz. — De lengte van een kabeltouw — eene kabellengte — bedraagt bijna 204 Ned. el, doch wordt in de zeetactiek gerekend op 225 Ned. el. Sedert geruimen tijd worden echter vele kabels vervaardigd van metaaldraad, en wél dooreengestrengeld als touw of in aaneengeschakelde schalmen. — Kabellaring noemt men een touw, dat bij het ligten van het anker gebruikt wordt. Als het ankertouw te dik is voor de spil, dan maakt men er de kabellaring met sijzings aan vast en legt haar met 3 slagen om de spil. Voor ijzeren ankerkettingen gebruikt men veelal eene ijzeren kabellaring. Omtrent den telegraafkabel raadplege men Telegraaf.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018