Kaak betekenis & definitie

Kaak noemt men dat gedeelte van het hoofd, hetwelk tot afsnijding en verkleining der spijzen dient. Bij alle dieren vindt men meer dan ééne kaak. Bij de Gelede dieren (Articulata) zijn de verschillende kaken zóó geplaatst, dat zij zich in horizontale rigting bewegen. Bij de Gewervelde dieren — ook bij den mensch — heeft men 2 kaken, en deze bewegen zich in perpendiculaire rigting.

Zij vormen bij den mensch het onderste gedeelte van het gelaat. De bovenkaak bestaat uit 2 op het naauwst met elkaar verbonden beenderen (ossa maxillaria superiora). Het opperkaakbeen is een veelhoekig ligchaam, dat den grond en den rand der oogholte vormt. Het uitwendig gedeelte, met het jukbeen verbonden, steekt vooruit en heet het wanguitsteeksel (processus zygomaticus). Het heeft eene diepe sleuf, waarin de opening uitkomt eener buis, die den 2den tak der driedeelige zenuw bevat.

De uitwendige oppervlakte gaat met eene ronding in de achtervlakte over, welke met het vleugelvormig gedeelte van het gehemeltebeen verbonden is en daarmede eene breede spleet vormt. De binnenste of neus-oppervlakte vormt met het neusuitsteeksel de binnenvlakte van den neus en heeft eene groote oppervlakte, die met den opperkaakboezem (antrum Higmori) zamenhangt. Deze holte wordt aan de bovenzijde door de oogkasplaat, aan de buitenzijde door de wangplaat en aan de binnenzijde door de neusplaat omsloten; de basis dezer holte is de tandkasrand. Van het opperkaakbeen gaan 4 uitsteeksels naar verschillende rigtingen, — voorts vindt men er onderscheidene openingen voor vaten en zenuwen.

Het onderkaak been (os maxillare inferius) is enkelvoudig. Het bekleedt het onderste gedeelte van het aangezigt en strekt zich hoefijzervormig tot aan de slapen uit. Het middelste of onderste gedeelte draagt den naam van kin, en van hier verheffen zich de beide zijtakken. De achterste oppervlakte is ruw en dient tot aanhechting der tongspieren. De bovenste of tandkasrand heeft 16 tandkassen. De takken dienen vooral tot aanhechting van spieren, waardoor de mensch de onderkaak op en neêr en nagenoeg in een kwart-cirkel zijwaarts, alsmede naar voren en naar achteren bewegen kan, zoodat zij, in verband met de onbewegelijke bovenkaak, uitstekend geschikt is tot het vermalen van spijzen. — Eene ongesteldheid, die wel eens voorkomt, is kaakkramp of klem (trismus), namelijk eene aanhoudende kramp in de spieren van de onderkaak, zoodat deze onbewegelijk wordt. Voorts heeft men kaakontwrichting, wanneer één der takken uit de jukbeenholte is gedrongen.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018