Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Julius

betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Drie Pausen, namelijk: Julius I (335—352), die op de Synode te Sardica (343) het regt van appél verkreeg. — Julius II (1503—1513), eigenlijk Julianus délla Povere uit Albizuola, den kleinzoon van paus Sixtus IV. Deze verhief hem tot bisschop en cardinaal, waarna hij eindelijk den Pauselijken zetel beklom. Hij was hoofdzakelijk een krijgs- en staatsman en voerde steeds oorlog voor de onafhankelijkheid en de uitbreiding van den Kerkelijken Staat. Tevens begunstigde hij kunst en wetenschap en alle werken des vredes. Hij verjoeg Caesare Borgia, veroverde Bologna en andere steden, deed den Hertog vam Ferrara in den ban, dempte een oproer te Florence en sloot verbindtenissen met keizer Maximïliaan en koning Lodewijk XII. Met eerstgenoemde streed hij tegen Venetië, doch naauwelijks had deze Republiek hem door den afstand van eenige steden tevreden gesteld, toen hij zich met haar en andere Staten tegen Frankrijk verbond. Toen Lodewijk XII en Maximiliaan in 1511 een Concilie te Pisa belegden om de Pauselijke heerschappij te hervormen, riep hij in 1512 eene algemeene kerkvergadering in het Lateraan bijeen. Hij overleed den 21sten Februarij 1613. — Julius III (1550—1555), eigenlijk Gianmaria dei Medici, zich later ook wel del Monte noemend, vanwaar zijn geslacht afkomstig was.

Hij gaf door zijne levenswijze groote ergernis. Nadat hij onder Paulus III tot cardinaal was verkozen (1536), werd hij afgevaardigd naar het Concilie te Trente, waar hij met ijver de belangen van den Paus behartigde. Toen hij op 66-jarigen leeftijd Paus was geworden, benoemde hij zijn gunsteling, een voormaligen apenbewaarder, tot cardinaal. In 1551 opende hij weder het Concilie te Trente, hetwelk reeds in het daarop volgende jaar uiteen ging. Een verbond met den Keizer tegen Frankrijk werd weldra verbroken. Met Venetië geraakte hij in verwikkeling wegens de Inquisitie, en hij onderhandelde over eene vereeniging met de Nestorianen. Hij overleed in 1555.

Voorts nog:

Nikolaus Heinrich Julius, die zich als schrijver over gevangeniszaken verdienstelijk gemaakt heeft. Hij werd geboren te Altona den 3den October 1783, studeerde te Heidelberg en te Würzburg in de medicijnen en vestigde zich in 1809 te Hamburg als geneesheer. In 1813—1815 nam hij als vrijwilliger deel aan den oorlog tegen Frankrijk en hervatte vervolgens zijn beroep. Eene reis naar Engeland in 1826 deed hem de aandacht vestigen op de gevangenissen en hij besloot zich aan de verbetering van deze geheel en al te wijden. In 1827 vertrok hij naar Berlijn, om aldaar voorlezingen te houden over dat onderwerp, volbragt in 1834—1836 een togt naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, doorkruiste Duitschland, Polen, België en Frankrijk, en keerde in 1849 naar Hamburg terug, om er uitsluitend voor de wetenschap te leven.

Hij stierf aldaar den 20sten Augustus 1862. Van zijne geschriften noemen wij: „Nordamerikas sittliche Zustände (1839, 2 dln)”, — „Jahrbücher der Strafund Besserungsanstalten u. s. w. (1828—1848, 10 dln)”, — „Vorlesungen über Gefängniszkunde (1828)”, — en „Beiträge zur brit. Irrenheilkunde (1844)”. Ook vertaalde hij de: „Geschichte der schönen Literatur in Spanien (1852, 2 dln, met een supplement van Wolf, 1866)” van Ticknor.

Gustav Julius, een Duitsch dagbladschrijver. Hij werd geboren te Berlijn omstreeks het jaar 1815, studeerde in de theologie en begaf zich vervolgens met eene toelage der Académie te Berlijn naar Italië ten behoeve van de geschiedenis der kunst. Bij zijn terugkeer belastte hij zich met de redactie der „Leipziger allgemeine Zeitung”, doch hij legde haar neder, toen de verspreiding van dat tijdschrift in Pruissen verboden werd. Zijne „Geschichte der Jesuiten” verscheen in 1844, en in 1846 schonk de Pruissische regéring hem het privilégie om te Berlijn een groot dagblad en een leesmuséum te stichten. Geen van beide maakte grooten opgang, hoewel zij door den Staat werden ondersteund. Toen echter in Maart 1848 de omwenteling uitbarstte, werd zijne „Zeitungshalle” het orgaan der beweging. Zij ging echter te niet, toen Julius de vaan van het Socialismus verhief. Aan eene tegen hem ingestelde vervolging onttrok hij zich door de vlugt naar Londen, waar hij voor verschillende Duitsche dagbladen werkte en in 1851 overleed.