Jacobus betekenis & definitie

In de geschriften des Nieuwen Testaments dragen 3 personen dezen naam, te weten:

Jacobus de Oudere, de zoon van Zebedeus en de broeder van den apostel Johannes. Hij behoorde met laatstgenoemde en met Petrus tot de voornaamste jongeren van Jezus. Volgaarne voldeed hij aan de uitnoodiging van dezen om het visschersbedrijf te verlaten en hem te volgen. Later stond hij mede aan het hoofd der gemeente te Jerusalem, maar werd omstreeks het jaar 44, op last van Herodes Agrippa, met het zwaard gedood. Volgens eene sage van lateren tijd heeft hij het evangelie verkondigd in Spanje, zoodat hij aldaar als beschermheilige geëerbiedigd wordt. Zijn naamdag valt op den 25sten Julij.

Jacobus de Jongere, de zoon van Alphaeus of Clopas. Ook deze, wiens moeder den naam droeg van Maria, behoorde tot de apostelen. Van zijne lotgevallen is nagenoeg niets bekend. De R. Katholieke Kerk heeft den 1sten Mei aan hem gewijd.

Jacobus, de broeder van Jezus. Hij was de zoon van Jozef en Maria, terwijl men hem om leerstellige redenen ook wel als een voorzoon van Jozef aangemerkt heeft. Met Petrus en Johannes was hij de voornaamste leeraar in de Jerusalemsche gemeente, en wij vinden hen aldaar in het jaar 59, terwijl de apostelen zich naar elders hadden begeven. Hoewel niet tot den kring der eigenlijke apostelen behoorende, had hij te Jerusalem en elders grooten invloed. Hij was het hoofd der MozaïschChristelijke partij, en op zijn last trokken gezanten naar Antiochië, om Petrus, die op het voetspoor van Paulus de Christenen uit de Heidenen als broeders erkende, tot de betrachting der wet van Mozes terug te brengen; ja, zijn invloed was zoo groot, dat de overige aldaar aanwezige Christenen uit de Joden met Barnabas zich verwijderden uit de gemeenschap van hunne medechristenen uit de Heidenen.

Sedert dien tijd ontstond er verdeeldheid tusschen Paulus en Jacobus, en toen Paulus tijdens zijn laatste vertoef te Jerusalem in de handen viel van dweepzieke ijveraars voor de wet van Mozes, wendden Jacobus en zijne aanhangers geenerlei poging aan om hem te redden. Ook door de latere overlevering wordt Jacobus voorgesteld als een Joodsch Christen, die met de meeste naauwgezetheid vasthield aan de wet. Zij verheft hem tot bisschop van Jerusalem, ja, tot opperbisschop van alle geloovigen, aan wiens voorschriften ook Petrus zich onderwierp, en geeft hem, wegens zijne getrouwe waarneming der wet, den bijnaam van de Regtvaardige. Volgens de sage werd hij, omdat hij geen afstand wilde doen van het geloof in Christus, niet lang vóór de verwoesting van Jerusalem van de tinnen des tempels naar beneden geworpen. Daarentegen meldt Josephus, dat hij na het vertrek van den Romeinschen procurator Festus, op aanhitsing van den hoogepriester Ananias, gesteenigd is (62 na Chr.).— Onder den naam van dezen Jacobus vindt men in het Nieuwe Testament een brief „Aan de Twaalf Stammen in de verstrooiing”, welke tot de merkwaardigste documenten behoort van de Joodsch-Christelijke rigting in de eerste eeuw onzer jaartelling. De inhoud wijst ons op een tijdperk van verdrukking en tevens van groote verdeeldheid omtrent de leer.

Bepaaldelijk wordt hier de strijd bedoeld tusschen de Paulinische en de Joodsch-Christelijke rigting, terwijl de schrijver partij trekt voor laatstgenoemde. Hij hecht groot gewigt aan practische vroomheid, vooral aan weldadigheid jegens de armen, en de toon, waarop hij deze zalig spreekt, herinnert ons levendig aan dien der bergrede. Trouwens de toespelingen op uitspraken van Jezus vinden wij in den geheelen brief met ruime hand verspreid. Tevens is de schrijver ver verwijderd van Israëlietische bekrompenheid, daar hij de wet beschouwt als de volkomene wet der vrijheid en de uitwendige vormen gering acht naast de zedelijke pligten. Of deze brief, die in de aloude Christelijke Kerk vrij laat ter algemeene kennis kwam en nog in de 4de eeuw tot de twijfelachtige geschriften behoorde, werkelijk van Jacobus afkomstig is, blijft nog altijd onbeslist.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018