Jacoby betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij: Johann Jacoby, bekend door zijne werkzaamheden op staatkundig gebied. Hij werd geboren te Königsberg den 1sten Mei 1805, studeerde van 1823 tot 1827 in de geneeskunde, verkreeg den rang van doctor en deed met goed gevolg het arts-examen te Berlijn.

Daarna legde hij zich te Heidelberg toe op de verloskunde, reisde gedurende eenige jaren door Duitschland en vestigde zich in 1830 als geneesheer in zijne geboorteplaats. Reeds in dat jaar vertrok hij op last van den opperpresident von Schön naar het alstoen in opstand verkeerend Polen, om er de chólera te bestudéren en tevens hulp te verleenen. Toen die gevreesde ziekte te Königsberg uitbarstte, begaf Jacoby zich derwaarts, terwijl de bestrijding van bestaande misbruiken hem tevens op het gebied bragt der politiek. Om die reden kwam hij bij herhaling in botsing met de censuur. Wegens zijne „Vier Fragen, beantwortet von einem Ostpreuszen (1841)” van hoogverraad beschuldigd, werd hij door het crimineel geregtshof te Berlijn veroordeeld tot driejarige vestingstraf en tot verlies der nationale cocarde, maar door het Kamergeregt vrijgesproken. Twee vlugschriften: „Preuszen im Jahre 1845” en „Das Königlich Wort Friedrich Wilhelm’s III”, wikkelden hem wederom in een procés, zoodat hij ter eerste instantie tot 2½ jaar vestingstraf verwezen, maar door het Hof van Oost-Pruissen nogmaals vrijgesproken werd.

In 1846 moest hij wegens deelneming aan burgervergaderingen te Königsberg boete betalen, en in het jaar 1848 stond hij in de voorste gelederen van hen, die met geestdrift nationale hervormingen eischten. Hij begaf zich naar Frankfort aan de Main, was lid van het Vóór-Parlement en zag zich gekozen tot lid der Commissie van Vijftig. In Junij 1848 nam hij zitting in de Nationale Vergadering en behoorde er tot de uitstekendste leden. Zijne tegenstanders leggen hem echter te laste, dat hij zijne kostelijke gaven niet zoozeer besteedde aan de bevordering van het constitutionéle leven als aan de belangen der democratische republiek. Zelden betrad hij het spreekgestoelte, maar ijverde des te meer voor de vorming eener volkspartij.

In 1849 zag hij zich afgevaardigd naar de Tweede Kamer te Berlijn, die den 26sten Februarij geopend en den 27sten April daaraanvolgende ontbonden werd. Hierna begaf hij zich naar Frankfort aan de Main en verving er Friedrich von Raumer in de Duitsche Rijksvergadering. Na hare ontbinding ging hij met het Romp-Parlement naar Stuttgart, en van hier naar Baden en voorts naar Zwitserland, waar hij zich vestigde te Vernex aan het meer van Genève. Toen hij vernam, dat men hem in Pruissen al weder wegens hoogverraad aangeklaagd had, stelde hij zich ter beschikking van de regtbank te Königsberg, doch werd na eene preventieve gevangenis van 7 weken door gezworenen vrijgesproken (8 December 1849). In diezelfde maand vaardigde de stad Koesveld in Westfalen hem af naar de Eerste Kamer in Pruissen, doch hij gaf hieraan geen gevolg.

Eerst in het jaar 1858 begon hij zich weder met staatkunde te bemoeijen en schreef de brochure: „Die Grundsätze der preuszischen Demokratie (1859)”. Wél werd hij in 1862 tot volksvertegenwoordiger gekozen, maar hij wees aanvankelijk die opdragt van de hand, totdat hij eindelijk in den herfst van het volgende jaar daaraan gehoor gaf. Hij nam nu ijverig deel aan de discussiën in het Huis van Afgevaardigden in 1864 en 1865. Hij kon echter de zitting in het voorjaar van 1866 niet bijwonen, omdat hij toen eene halfjarige gevangenisstraf onderging wegens eene rede, door hem in November 1863 tot zijne kiezers gerigt. Op grond van eenige uitdrukkingen in eene door hem vervaardigde levensbeschrijving van Heinrich Simon (1865) werd hij in 1866 nogmaals tot eene gevangenisstraf van 14 dagen veroordeeld. In hetzelfde jaar werd hij door het tweede kiesdistrict te Berlijn herkozen, en behoorde in het Huis van Afgevaardigden tot de uiterste linkerzijde. Als een hoofdleider der sociale democraten werd hij bij het uitbarsten van den oorlog met Frankrijk (1870) door generaal Vogel von Valckenstein in hechtenis genomen. Na het herkrijgen der vrijheid werd hem in 1871 de candidatuur voor het Huis van Afgevaardigden aangeboden, doch hij wees haar van de hand, zoodat hij zich allengs van het tooneel der politiek schijnt te verwijderen.

Louis Jacoby, een verdienstelijk teekenaar en graveur. Hij werd geboren den 7den Junij 1828 te Havelberg in de mark Brandenburg, ontving er zijne opleiding aan het gymnasium en bezocht daarna het atelier van professor Mandel te Berlijn. Nadat hij zich 2 jaar in het teekenen geoefend had, greep hij naar de graveernaald en leverde weldra uitmuntende gravures. Vergezeld door Mandel deed hij nu eene reis naar Parijs, waar de meesters der graveerkunst, zooals Desnoyers, Henriquel-Dupont enz., den jeugdigen kunstenaar vriendschappelijk in hunnen kring opnamen. Hij bleef er 4½ jaar en ging toen naar Spanje om er teekeningen naar stukken van Murillo te vervaardigen, ten einde die later te gravéren. Hij liet echter dit voornemen varen, zoodra hij kennis gemaakt had met de meesterstukken der Italiaansche kunst.

Schoon Henriquel-Dupont moeite deed om hem te Parijs te houden, keerde hij naar Duitschland terug en vond te Berlijn de middelen om Rome te bezoeken, waar hij 2½ jaar bleef. Hij besteedde er vooral zijn tijd en kracht aan het vervaardigen eener teekening in kleuren naar „De school van Athene” van Rafaël, en naar de fresco van Sodoma „De bruiloft van Alexander en Roxane”, welke hij in plaat wenschte te brengen. Niet aanstonds kon hij gevolg geven aan dit voornemen; — eerst toen hij in 1863 het beroep aanvaardde tot professor in de graveerkunst aan de académie te Weenen, kon hij daarvoor tijd vinden. Daarenboven graveerde hij de portretten van den Keizer en de Keizerin van Oostenrijk, van dr. Rokitanski, van Olfers, Ritter, Cornelius enz., alsmede lady Macbeth naar Kaulbach.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018