Jacobs. betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Christian Friedrich Wilhelm Jacobs, een verdienstelijk Duitsch schrijver, geboren te Gotha den 6den October 1764. Hij bezocht het gymnasium in zijne geboortestad en studeerde te Jena in de letteren en godgeleerdheid, terwijl hij in 1784, om Heyne te hooren, zich naar Göttingen begaf, alwaar hij zich bij de letteren bepaalde.

Een jaar later werd hij leeraar aan het gymnasium te Gotha en in 1802 aanvaardde hij er tevens eene betrekking bij de bibliotheek. In 1807 werd hij leeraar in de oude letteren aan het lycéum te München en lid van de Académie van Wetenschappen aldaar. Wegens de onaangename en wantrouwende wijze, waarop men in die dagen in Beijeren de Protestantsche Noord-Duitschers bejegende, keerde hij in 1810 naar Gotha terug en ontving er den post van opperbibliothecaris en directeur van het muntkabinet, waarna hij in 1831 zich benoemd zag tot directeur van alle kunstverzamelingen en tot geheim hofraad. In 1842 legde hij zijne betrekkingen neder, en overleed den 30sten Maart 1847. Hij beoefende de oudheidkunde op eene loffelijke wijze en leverde eene reeks van hoogst belangrijke geschriften, die zich zoowel onderscheiden door degelijkheid van inhoud als door sierlijkheid van stijl.

Hij bezorgde onder anderen uitgaven van de „Antehomerica” van Tzetzes (1793), — van Bion en Moschus (1795), — van de „Anthologia graeca (1794— 1814, 3 dln; nieuwe uitgave 1813—1817, 4 dln)”, — van Achilles Tatius (1821, 2 dln),— van de „Imagines” van Philóstratus (met Welcker, 1825), — en van de Geschiedenis der dieren van Aelianus (1832, 2 dln). Hij leverde voorts vertalingen van Vellejus (1793), van gedeelten der Grieksche Anthologie onder den titel „Tempe”, en van redevoeringen van Demósthenes onder dien van: „Staatsreden und Rede für die Krone (1805; 2de druk 1833)”. Ook plaatste hij vele belangrijke verhandelingen in verschillende tijdschriften, terwijl wij nog vermelden: „Beiträge zur altern Literatur (1835—1843, 3 dln)”, — „Vermischte Schriften (1823—1844, 8 dln)”, — „Elementarbuch der Griechischen Sprache (1805, 4 dln)”, — voorts „Alwin und Theodor”,—„Rosaliens Nachlasz,” — „Auswahl aus die Papieren einer Ungenanten”, „Feierabende in Mainau”, verzameld onder den titel: „Schriften für die Jugend (1842 —1844, 3 dln)”, — „Erzählungen (1824—1827, 7 dln)”, — „Aehrenlese aus dem Tagebuche des Pfarrers zu Mainau (1823—1825, 2 dln)”, — „Schule für Frauen (1827—1829, 7 dln)”, — „Personalien (1840; 2de druk 1848)”, — en de na zijn dood uitgegeven verhandelingen onder den titel: „Hellas (1852)”.

Paul Emil Jacobs, een verdienstelijk Duitsch schilder en een zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Gotha in 1802 en ontving zijne opleiding aan de académie te München, alwaar hij in 1820 een carton ten toon stelde „Mercurius, Argus bedriegend”. Daarop volgden zijne „Episode uit den zondvloed” en „Adam en Eva bij het lijk van Abel”.

In 1824 begaf hij zich naar Rome en toonde door zijne „Opwekking van Lazarus”, dat hij doorgedrongen was in den geest der oude meesters. Vooral legde hij zich toe op correctheid van teekening en eene warme carnatie, zooals men vooral in zijne „Schaking van Prosérpina” opmerkt. Na zijn terugkeer uit Rome (1829) hield hij zich een jaar te Frankfort en daarna geruimen tijd te Petersburg bezig met het schilderen van portretten. Tevens schilderde hij eene „Hemelvaart” en een „Avondmaal” voor het klooster Smolna en werd lid van de académie te Petersburg. In 1836 zag hij zich belast met de taak om tafereelen uit de geschiedenis des lands op het kasteel te Hannover te schilderen, en hij volbragt die op eene eervolle wijze.

In 1838 deed hij eene reis door Griekenland en begaf zich weder naar Rome, waar hij eene sprookjes vertellende Sheherasade schilderde bij aanbrekend morgenlicht, — een voortreffelijk stuk. In 1840 vestigde hij zich te Gotha en schilderde er voor de kerk der Augustijnen eene „Kruisiging van Christus”. Tot aan 1856 toog hij nog 3-maal naar Rome en toonde door zijne kunstwerken eene ongemeene bedrevenheid in het schilderen van het naakt. Voorts behandelde hij onderscheidene Bijbelsche onderwerpen, zooals: „Simson en Delila”, — „Judith en Holophernes”, — „Suzanna in het bad” enz. Ook schilderde hij: „Luther op den Rijksdag te Worms”, — een „Ecce Homo”, — „Een engel der geregtigheid en der barmhartigheid”, enz. Hij was lid van de académie te Berlijn, en overleed den 6den Januarij 1866.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018