Haai betekenis & definitie

Haai (Squalus of Selachius) is de naam van een aantal visschen, welke eene familie vormen der Dwarsbekkige Kraakbeenigen. De verschillende geslachten dezer familie tellen ongeveer 100 soorten, en 1/4 van deze vindt men in de zeeën van ons werelddeel. De haai heeft een rolrond, naar achter versmald ligchaam met een grooten staart, — oogen en kieuwgaten aan de zijden, — den mond en de neusgaten onder den verlengden snuit, en meestal 2 voorhoofdsgaten achter de oogen. Deze familie bevat de grootste visschen: Squalus maximus wordt 8 of 9 Ned. el lang.

Vele haaijen zijn gevaarlijk voor den mensch, en alle onderscheiden zich door hunne vraatzucht. Eenige soorten vervolgen de haringscholen, andere de schepen, weshalve zij dikwijls met een stuk spek aan een haak worden gevangen. Hunne eijeren zijn lederachtig en langwerpig vierkant, terwijl de 4 uiteinden in lange, holle punten uitloopen. De jongen ontwikkelen zich gewoonlijk daarin vóórdat de eijeren gelegd zijn. Zij leven in zee, ofschoon er eene soort is, die de Ganges opzwemt. Sommige soorten zijn sterk verspreid, zooals S. Acanthias L. of de doornhaai en S. Mustalus L., welke men zoowel in de Middellandsche Zee als in den Grooten Oceaan aantreft.

De merkwaardigste soort is voorzeker de menschenhaai (S. Carcharias L.). Zijn graauwkleurig ligchaam heeft een breeden rug, een van voren driehoekigen en platten kop met openingen voor het water achter de half bedekte oogen, en half bedekte neusgaten onder den snuit. De wijde bek is met vele rijen zaagvormige tanden gewapend; de voorste rijen zijn vast, terwijl de achterste door het dier naar willekeur opgerigt kunnen worden. Oude visschen hebben wel eens in elke kaak 6 rijen, elk met minstens 30 tanden. Zijne tong is kort, dik, breed en kraakbeenig. De vinnen zijn bruinachtig; de eerste rugvin is groot, de tweede en de buikvinnen zijn klein; de borstvinnen zijn sterk; de staartvin is lang, en de aarsvin ontbreekt.

De aars ligt tusschen de buikvinnen. Ook dezen beruchten waterbewoner vindt men in de Middellandsche Zee en in alle groote zeeën. Hij verslindt alle soorten van waterdieren, en men heeft er bij Sardinië gevangen, die 150 tot 200 Ned. pond wogen en 8 of 10 onverteerde thonijnen in de maag hadden. Men vindt voorts gewag gemaakt van zulk een haai, die bij het eiland St. Margaretha gevangen werd en 750 Ned. pond woog; het bleek trouwens, dat hij een geheel paard verslonden had.

De haai wordt in de keerkringszeeën veelal vergezeld door een visch, dien men met den naam van het loodsmannetje (Gasterosteus ductor L.) bestempelt. Veelal ook hechten zuigvisschen (Echineis remora L.) zich aan den haai vast.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018