Synoniemen van haai

2020-01-27

haai

Het begrip haai heeft 7 verschillende betekenissen: 1) openingsgroet; hi; hai 2) zinken; kapot gaan of zijn; failliet gaan of zijn; mislukken; verdwijnen of verdwenen zijn; sterven 3) fel, ambitieus persoon die overal direct bovenop zit en slim en sluw en soms zelfs doortrapt is, zoals bijvoorbeeld een politicus die fel de aanval op tegenstanders inzet en op slinkse wijze mensen voor zijn karretje spant; ook: gewiekste vrouw met een grote mond; haaibaai 4) blauwige roofhaai van tussen de twee en...

2020-01-27

haai

haai - (argot), sterk, groot, geducht; bij de hand.

2020-01-27

Haai

Haai - schuldeiser (de haai is vraatzuchtig en een schuldeiser niet minder); meisje dat niet op haar mondje gevallen is. Voor de haaien zijn: overboord gevallen.

2020-01-27

Haai

Haai (Squalus of Selachius) is de naam van een aantal visschen, welke eene familie vormen der Dwarsbekkige Kraakbeenigen. De verschillende geslachten dezer familie tellen ongeveer 100 soorten, en 1/4 van deze vindt men in de zeeën van ons werelddeel. De haai heeft een rolrond, naar achter versmald ligchaam met een grooten staart, — oogen en kieuwgaten aan de zijden, — den mond en de neusgaten onder den verlengden snuit, en meestal 2 voorhoofdsgaten achter de oogen. Deze familie bevat de gro...

2020-01-27

haai

hebzuchtig, inhalig persoon. Vanwege de vraatzucht van dit dier. In zeemanstaal werd een schuldeiser ook een haai genoemd.Distributie hier en daar en overal... geen centen onder de mensen, alles in de poten van kettinghandelaars, die haaien en wolven. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928) Overal legt het algemeen belang het loodje tegen het winstbejag van pooiers, haaien en geldwolven. (Het Parool, 15/11/2002)

2020-01-27

haai

Gehaaide speler, ervaren in het spelen om geld. Zie ook: palooka killer; toernooirat; toernooivos

2020-01-27

haai

haai - Zelfstandignaamwoord 1. (vissen) kraakbenige roofvis 2. (scheldwoord) hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek) haai - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien ♢ Ik haai 2. gebiedende wijs van haaien haai! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien haai je?

2020-01-27

haai

sterk, groot, bij de hand, geducht In deze betekenissen in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Als min of meer vaste verbindingen noemt Köster Henke haaie drukker(d) (‘zware straf’), haaie goozer (‘sterke kerel’) en haaie lel (‘grote borrel’). Als voorbeeldzin geeft hij onder meer: ‘Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt.’ De herkomst is niet bekend, maar er zal een verband zijn met behaai...

2020-01-27

haai

haai - zelfstandig naamwoord 1. grote roofvis die in de zee leeft ♢ in deze baai zwemmen haaien! 1. naar de haaien [voorgoed verloren zijn, weg zijn] Zelfstandig naamwoord: haai de haai de haaien het haaitje

2020-01-27

haai

sterk; groot; bij de hand; geducht. Een haaie goser. Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt. Hij is haai met de flik, de kaarten. Een haaie lel, een grote borrel. Een haaie drukker, een zware straf.

2020-01-27

haai

Zoutwatervis en behoort tot de z.g. ‘kraakbeenvissen’. Enkele soorten hebben een culinaire betekenis, namelijk de ‘haringhaai’ en de ‘doornhaai’. Het vlees van beide soorten staan bekend om hun fijne smaak. Gerechten van deze twee soorten zijn vooral in Duitsland geliefd. De vinnen van sommige soorten worden gedroogd en als grondstof gebruikt voor de bereiding van de bekende ‘haaivinnensoep’.

2020-01-27

HAAI

(Fr.: haeï). In deze streken uitsluitend in de zee of zeegaten levende vis met gestroomlijnd lichaam en een uit kraakbeen bestaand skelet. Van de Nederlandse kust zijn een tiental soorten bekend, waarvan enkele af en toe op de Waddeneilanden aanspoelen. Van sommige soorten (Ruwe H.) worden ook wel jonge exemplaren aan lijnen gevangen, zie Doornhaai.Zie: Fauna van Ned. (1941), afl. x, Pisces.

2019-05-30

blauwe haai

blauwe haai - haai met indigoblauwe rug en helderblauwe flanken. De blauwe haai (Prionace glauca) behoort tot de ware haaien (Lamniformes). Deze soort komt in alle warmere gematigde subtropische zeeën voor; in de oostelijke Atlantische Oceaan vooral van Engeland tot Marokko, maar zelden in de Noordzee. De buik is wit. Hij voedt zich met vis en bereikt een lengte van bijna 4 m.

2019-03-20

Blauwe haai

Blauwe haai - zie Menschenhaai.

2019-01-17

Toon haai

Toon haai - Mustelus vulgaris, een haai ter lengte van 1-1,5 M., van boven grijsachtig met witte vlekjes, onderzijde geelachtig wit. Leeft aan de meeste kusten van Europa, verder bij Z.-Afrika en Japan. De tanden zijn stomp en plat; voedt zich met krabben, enz.; vertoeft daarom gaarne bij den grond, liefst op eenigszins grootere diepte. Brengt levende jongen ter wereld. Wordt in sommige landen met aas gevangen, b.v. in Italië, en op de markt gebracht. Veelvuldig in de Noordzee.

2018-09-12

2. haai

2. HAAI, m. (Zuidn.) schuine hoek, bocht de Schelde loopt met veel haaien en draaien; — er een haai in geven, woest, wild, op goed geluk af knippen, snijden; — (Zuidn.) in, met een haai, in een oogenblik.

2018-09-12

1. haai

1. HAAI, m. (-en), (nat. hist.) eene onderorde der kraakbeenvisschen, bevattende meer dan 150 soorten van vlugge, slanke en lenige roofvisschen (squalidae), de blauwe haai of menschenhaai (carcharias glaucus) verslindt ook menschen; — er zijn haaien op de kust, (fig.) er is gevaar; — het is naar de haaien, het is voor goed wg, ik zal het wel nooit terugzien; — hij is naar de haaien (of die is voor de haaien), hij is reddeloos verloren; (zeew.) schuldeischer; schrok, gulzig persoon; — (ge...

2019-03-20

Biafra-haai

Biafra-haai - een langs den Atlantischen Oceaan, aan de W.kust van Afrika gelegen baai (2°30'N., 8°O.), begrensd door de kapen Lopez en Formose; het is het meest naar het binnenland reikend gedeelte van de Golf van Guinee.

2018-12-06

Blauwe haai

Blauwe haai of menschenhaai (Prionace glauca), lengte tot 4,5 M., bewoner der warme en gematigde zeeën, die tot bij de Z. kust van Engeland nog gevonden wordt. Kleur der bovenzijde leiblauw, van de onderzijde wit. Voedt zich met alles, wat eetbaar is; volgt de schepen om den in zee geworpen afval te bemachtigen; valt de grootste visschen aan en is ook voor den mensch gevaarlijk, hoewel het gevaar voor den mensch veelal erg overdreven wordt. Zie HAAIEN en LOODSMANNETJE.

2017-10-31

witte haai

witte haai - Zelfstandignaamwoord 1. (dierkunde) Carcharodon carcharias, de bekenste en de meest gevreesde haai Synoniemen mensenhaai Verwante begrippen tijgerhaai, hamerhaai, walvishaai