Synoniemen van haai

2019-10-19

haai

Het begrip haai heeft 7 verschillende betekenissen: 1) openingsgroet; hi; hai 2) zinken; kapot gaan of zijn; failliet gaan of zijn; mislukken; verdwijnen of verdwenen zijn; sterven 3) fel, ambitieus persoon die overal direct bovenop zit en slim en sluw en soms zelfs doortrapt is, zoals bijvoorbeeld een politicus die fel de aanval op tegenstanders inzet en op slinkse wijze mensen voor zijn karretje spant; ook: gewiekste vrouw met een grote mond; haaibaai 4) blauwige roofhaai van tussen de twee en...

2019-10-19

Haai

Haai - schuldeiser (de haai is vraatzuchtig en een schuldeiser niet minder); meisje dat niet op haar mondje gevallen is. Voor de haaien zijn: overboord gevallen.

2019-10-19

haai

Zoutwatervis en behoort tot de z.g. ‘kraakbeenvissen’. Enkele soorten hebben een culinaire betekenis, namelijk de ‘haringhaai’ en de ‘doornhaai’. Het vlees van beide soorten staan bekend om hun fijne smaak. Gerechten van deze twee soorten zijn vooral in Duitsland geliefd. De vinnen van sommige soorten worden gedroogd en als grondstof gebruikt voor de bereiding van de bekende ‘haaivinnensoep’.

2019-10-19

haai

Gehaaide speler, ervaren in het spelen om geld. Zie ook: palooka killer; toernooirat; toernooivos

2019-10-19

haai

haai - zelfstandig naamwoord 1. grote roofvis die in de zee leeft ♢ in deze baai zwemmen haaien! 1. naar de haaien [voorgoed verloren zijn, weg zijn] Zelfstandig naamwoord: haai de haai de haaien het haaitje

2019-10-19

haai

haai - Zelfstandignaamwoord 1. (vissen) kraakbenige roofvis 2. (scheldwoord) hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek) haai - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien ♢ Ik haai 2. gebiedende wijs van haaien haai! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien haai je?

2019-10-19

Haai

Haai (Squalus of Selachius) is de naam van een aantal visschen, welke eene familie vormen der Dwarsbekkige Kraakbeenigen. De verschillende geslachten dezer familie tellen ongeveer 100 soorten, en 1/4 van deze vindt men in de zeeën van ons werelddeel. De haai heeft een rolrond, naar achter versmald ligchaam met een grooten staart, — oogen en kieuwgaten aan de zijden, — den mond en de neusgaten onder den verlengden snuit, en meestal 2 voorhoofdsgaten achter de oogen. Deze familie bevat de gro...

2019-10-19

haai

sterk, groot, bij de hand, geducht In deze betekenissen in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Als min of meer vaste verbindingen noemt Köster Henke haaie drukker(d) (‘zware straf’), haaie goozer (‘sterke kerel’) en haaie lel (‘grote borrel’). Als voorbeeldzin geeft hij onder meer: ‘Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt.’ De herkomst is niet bekend, maar er zal een verband zijn met behaai...

2019-10-19

haai

haai - (argot), sterk, groot, geducht; bij de hand.

2019-10-19

haai

sterk; groot; bij de hand; geducht. Een haaie goser. Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt. Hij is haai met de flik, de kaarten. Een haaie lel, een grote borrel. Een haaie drukker, een zware straf.