Graad betekenis & definitie

Graad noemt men een der gelijke deelen, waarin een geheel verdeeld wordt.

De meetkunde verdeelt den omtrek van een cirkel in 360 graden, en de absolute grootte van eiken graad is afhankelijk van die der middellijn. Daar de hoeken gemeten worden door bogen, uit het hoekpunt beschreven en tusschen de beenen van den hoek besloten, vindt men de grootte der hoeken ook in graden uitgedrukt. Een regte hoek telt 90 graden, want gemelde boog is bIj dezen het vierde gedeelte van den geheelen cirkelomtrek. Elke graad (°) is in 60 minuten ('), elke minuut in 60 seconden (“), en elke seconde in 60 tertiën ("') verdeeld. Bij alle wis- en sterrekundige werktuigen, welke tot hoekmeting dienen, vindt men die verdeeling, — en bij de cirkels der aard- en hemelglobes desgelijks. — Iets anders verstaat men onder graden van sommige natuurkundige instrumenten, zooals den barometer, thermometer enz. (zie aldaar). — Ook spreekt men wel van academische graden. Deze worden door het afleggen van examens verkregen, en zijn aan onze hoogescholen die van candidaat en van doctor. Eindelijk bestaan er graden voor de examens en promotiën, die aangewezen worden op het getuigschrift of den bul. BIj den laagsten graad wordt niets vermeld, en bij de twee volgende graden wordt aangeteekend, dat de begeerde rang met lof of met hoogen lof verkregen is.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018