Fabricius betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Cajus Fabricius Luscinus, de spruit van een oud-Romeinschen stam en een man, die later door de Romeinen geprezen werd als een voorbeeld van regtschapenheid en eenvoudigheid van zeden. Als consul bragt hij in 282 ontzet aan de stad Thurii, welke door de Lucaners en Brittiërs belegerd werd; hij zegepraalde op deze en op de Samnieten en legde bij het verdeelen van den buit eene zeldzame onbaatzuchtigheid aan den dag. Nadat Pyrrhus in 280 bij Heraclea eene overwinning behaald had op de Romeinen, werd hij naar dien Koning gezonden, om over de uitwisseling van gevangenen te onderhandelen. Hij wees het goud van de hand, hetwelk Pyrrhus hem aanbood, indien hij den vrede tot stand wilde brengen, en desgelijks het aanzoek, om in dienst des Konings hooge waardigheden te bekleeden, en zijne standvastigheid zelfs bij bedreigingen was oorzaak, dat genoemde Vorst de gevangenen zonder losgeld ontsloeg. Toen hij in 278 ten 2den male het consulschap bekleedde, versmaadde hij het aanbod van den verraderlijken geneesheer van Pyrrhus, om dezen door vergif om het leven te brengen, ja, hij leverde dien booswicht uit aan den Vorst, die uit dankbaarheid op nieuw de Romeinsche gevangenen in vrijheid stelde.

Terwijl Pyrrhus op Sicilië vertoefde, onderwierp Fabricius de volkeren van Beneden-Italië. In 275 bekleedde hij het ambt van censor. Als een bewijs voor de eenvoudigheid van die dagen wordt aangevoerd, dat hij Publius Cornelius Rufinus als een verkwister uit den Senaat verwijderde, omdat hij zilveren tafelgereedschap bezat ten bedrage van 10 pond. Fabricius overleed in armoede; de Senaat schonk eene huwelijksgift aan zijne dochter, en om hem hulde te bewijzen, werd voor hem en zijne nakomelingen eene begraafplaats bestemd binnen de muren der stad.

Georg Fabricius, eigenlijk Goldschmied, een Duitsch geleerde en dichter. Hij werd geboren den 23sten April 1506 te Chemnitz, waar zijn vader goudsmid was, studeerde te Leipzig en ging als hofmeester met zekeren heer von Werthern naar Rome, waar hij zich met oudheidkundige studiën bezig hield. Nadat hij vervolgens eenigen tijd als privaat-docent te Straatsburg vertoefd had, werd hij rector der school te Meiszen, en overleed aldaar den 13den Julij 1571. Hij was een uitstekend en naauwgezet leermeester en genoot in ruime mate de liefde van zijne leerlingen. In zijne vrije uren hield hij zich bezig met natuurlijke historie, met muziek en vooral met dichtkunst, weshalve hij door keizer Maximiliaan II als dichter gelauwerd en in den adelstand opgenomen werd. Tot zijne geschriften behoort een berijmd verhaal van zijne reis naar Rome. Voorts gaf hij eene voor dien tijd uitmuntende uitgave van Horatius in het licht, en schreef „Res Misnicae (1569)”, en „Res Germaniae et Saxoniae memorabiles (1609)”.

Hliëronimus Fabricius, naar zijne geboorteplaats in den Kerkelijken Staat ab Aquapendente genaamd. Deze, een uitstekend ontleed- en heelkundige, werd geboren in 1537, en studeerde te Padua onder Fadopia, wiens opvolger hij werd in 1562. Op zijn aandringen werd er eene nieuwe snijkamer gebouwd, en een groot aantal ontdekkingen en opmerkingen op het gebied der ontleed- en heelkunde heeft hem een beroemden naam bezorgd. De eerste uitgave zijner „Opera chirurgica” verscheen te Padua in 1717, en de hoogleeraar Albinus te Leiden heeft in 1737 zijne „Opera physiologica et anatomica” in het licht doen verschijnen.

Johann Albert Fabricius, een beroemd Duitsch geleerde. Hij werd geboren te Leipzig den 11den November 1668, studeerde aldaar in de wijsbegeerte, artsenijmengkunde en godgeleerdheid, en overleed als hoogleeraar aan het gymnasium te Hamburg den 30sten April 1736. Hij begaf zich op elk gebied der wetenschap, bezat eene verwonderlijke belezenheid en wist dien schat op eene uitstekende wijze te gebruiken. Daarvan getuigen zijne „Bibliotheca Graeca (1705—1708, 14 dln)”, op nieuw uitgegeven en voortgezet door Harless (1790— 1809, 12 dln), en later (1838) met een register voorzien, — zijne „Bibliotheca Latina (1697, 5de uitgave in 3 dln 1721, en op nieuw uitgegeven door Ernesti, 3 dln, 1773—1774)", — zijne „Bibliotheca mediae et infimae aetatis (1734, 5 dln)”, later vervolgd en door Mansi (1754, 6 dln) op nieuw bewerkt, — zijne „Bibliotheca ecclesiastica (1718”, — en zijne „Bibliographia antiquaria (1713 en 1760)”. Voorts leverde hij uitgaven van Sextus Empiricus en van Dio Cassius, alsmede van een „Codex pseudepigraphus Veteris Testamenti (1713—1722, 2 dln)”.

Johann Christian Fabricius, een uitstekend entomoloog der 18de eeuw. Hij werd geboren te Tondern den 7den Januarij 1743, studeerde te Kopenhagen, Leiden, Edinburgh, Freiburg (in Saksen) en Upsala, waar hij de lessen van Linnnaeus bijwoonde. Laatstgenoemde bragt hem op het denkbeeld, om de insecten te rangschikken naar de organen van den mond. Fabricius werd in 1775 leeraar in de natuurlijke historie aan de universiteit te Kiel, waar hij den 3den Maart overleed. Door zijn stelsel van rangschikking heeft hij den weg aangewezen, dien men later op het gebied der entomologie bleef volgen. Zijne belangrijkste geschriften zijn „Systema entomologiae (1775, omgewerkt in 1792—1794, 4 dln) met een „Supplementum (1797)’’, — en „Philosophia entomologica (1778)”.

Arent Meynerts Fabricius, een Nederlandsch regtsgeleerde. Hij werd geboren in 1547, bekleedde de betrekking van raad, burgemeester en schepen te Haarlem, was van 1600—1624 gecommitteerde in het Collégie der Staten van Holland en West-Friesland, woonde vanwege de Staten-Generaal de belegering van Oostende bij en zag zich daarvoor beloond met een zilveren beker en eene lijfrente van 100 gulden. In 1618 behoorde hij tot de regters, die Oldenbarneveldt, Hoogerbeets en de Groot moesten vonnissen : hij stemde echter niet vóór de doodstraf en weigerde de som van 2400 gulden, aan elk der leden van die regtbank toegekend. Hij overleed te Haarlem den 19den December 1624. — Ook Willem en Albert Fabricius hebben in het laatst der 17de en het begin der 18de eeuw te Haarlem aanzienlijke betrekkingen bekleed.

Franciscus Fabricius, een Latijnsch dichter. Hij werd geboren te Roermond omstreeks het jaar 1570, legde zich op de geneeskunde toe, vestigde zich als arts eerst te Deventer en daarna te Aken, en overleed in 1572 of 1575. Hij schreef: „Thermae aquenses sive de balneorum naturalium natura et facultatibus (1546 en later bij herhaling)”, — „Divi Gregorii Nazianzeni tragoedia Christus patiens, latino carmine reddita (1550)”, — en „Consilia de arthridite (1592)”.

Guilielmus Fabricius of Smith, een Nederlandsch godgeleerde. Hij werd geboren te Nijmegen omstreeks het jaar 1553, studeerde te Leuven, werd er hoogleeraar in de godgeleerdheid en wijsbegeerte, censor der boeken en bewaarder der académische voorregten. Hij overleed den 7den Maart 1628 en schonk zijne nalatenschap aan het collégie tot het stichten van beurzen. Hij schreef. „D. Leonis Magni in Dominicam passionem enarratio juxta ordinem Evangelicae narrationis (1600)”, — en „Confutatio censurae quorundam Theologorum Parisiensium etc. (1627)”.

Franciscus Fabricius, een Nederlandsch godgeleerde. Hij werd geboren te Amsterdam den 10den April 1663, studeerde te Leiden, was achtereenvolgens predikant te Velzen en te Leiden, en zag zich alhier in 1705 benoemd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid en vervolgens in de kanselwelsprekendheid. Hij bekleedde tot 4-maal toe de waardigheid van rector magnificus en overleed den 27sten Julij 1738. Behalve onderscheidene Nederlandsche redevoeringen en leerredenen, gaf hij een groot aantal Latijnsche geschriften in het licht, die onder den titel van „Opera omnia philologica, theologica, exegetica et oratoria” in 1717 en 1737 in 5 kwarto-deelen zijn uitgegeven.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018