Fabius betekenis & definitie

Deze naam werd gevoerd door een van de aanzienlijkste geslachten der Patriciërs in het oude Rome. Het beschouwde Héracles (Hércules) als zijn stamvader, daar de zoon van dezen en van de dochter van Evander een dergelijken naam droeg. Dat deze familie althans zeer oud is, blijkt uit het verhaal, dat de aanhangers van Remus met den naam van Fabiussen en die van Romulus met dien van Quinctiliussen werden bestempeld. Tijdens de stichting der Republiek behoorde de gens fabia tot de aanzienlijkste en invloedrijkste Romeinsche geslachten.

Van 485—479 vóór Chr. bekleedde aanhoudend een Fabius de waardigheid van consul, en in den oorlog tegen de Veji (479) trokken 306 Fabiussen met 4000 cliënten den vijand tegemoet. Het schijnt, dat dit geslacht eerst onder de Keizers uitgestorven is. Tot de merkwaardigste leden behoorden:

Quintus Fabius Vibulanus, die in 485 vóór Chr. consul was. Hij streed voorspoedig tegen de Volscers en Aequers, maar haalde zich het misnoegen des volks op den hals doordien hij den buit niet onder de soldaten verdeelde, maar ten voordeele der schatkist verkocht. In 482 werd hij op nieuw tot consul gekozen, bestreed de Aequers, en sneuvelde in 480.

Caeso Faber Vibulanus, een broeder van den voorgaande. Hij was een man van gestrenge, aristocratische beginselen, werd in 484 vóór Chr. tegelijk met L. Aemilius Mamercus consul en verzette zich met kracht tegen de pogingen der volkstribunen, om geldigheid toe te kennen aan de akkerwet van Cassius. Bij het uitbarsten van een oorlog tegen de Volscers ontving hij het opperbevel over een leger tot bescherming der bondgenooten, doch redde later Aemiüus, die door den vijand was ingesleten, door zijne beste troepen derwaarts te zenden. In 481 werd hij wederom tot Consul gekozen, joeg de Aequers en Veji met zijne ruiterij op de vlugt, maar gaf aan het voetvolk, dat hem niet genegen was, vruchteloos het bevel, om den vijand te vervolgen. In den veldslag tegen de Veji en de Etruscers (480) streed hij met ongemeene dapperheid en droeg zorg voor de gewonde Plebejers, zoodat hij in 479 op nieuw met de waardigheid van consul werd bekleed. Om eene verzoening van het volk met de Patriciërs tot stand te brengen, deed hij aan den Senaat het voorstel, om de staatsgronden gelijkmatig onder de burgers te verdeelen, maar vond bij dat ligchaam geen gehoor. Hij bevond zich bij de 306 Fabiussen, die in den oorlog met de Veji, in eene hinderlaag gelokt, omgekomen zijn, terwijl de consul T. Menenius, die zich aan het hoofd van een leger niet ver van daar bevond, niets deed om hen te redden, weshalve hij tot eene zware boete veroordeeld werd.

Marcus Fabius Vibulanus, een broeder van den voorgaande. Hij was aanvankelijk een ijverig verdediger van de voorregten der Patriciërs en werd in 483 vóór Chr. de eerste maal tot consul benoemd. In 480 viel hem op nieuw die eer te beurt, en hij besliste door zijne dapperheid den bloedigen slag tegen de Veji, waarin zijn broeder Quintus viel en de Fabiussen een onsterfelijken roem verwierven, maar uit smart over den dood van zijn broeder en van den consul Manlius wees hij den hem aangeboden triomf van de hand. Hierdoor en door zijne zorg voor de gewonde Plebejers verwierf hij de algemeene achting, en hij stelde na dien tijd zich steeds in de bres voor de regten des volks.

Quintus Fabius Vibulanus, een zoon van den voorgaande. Men verhaalt, dat van al de Fabiussen hij alleen aan de algemeene slagting, door de Veji onder zijne mannelijke bloedverwanten aangerigt, ontsnapte. In 467 vóór Chr. was hij consul tegelijk met T. Aemilius Mamercus, en verzette zich tegen de akkerwet. In 465 werd hij op nieuw met die waardigheid bekleed, en bragt aan de Aequers eene nederlaag toe aan de Algidus. In 459 zag hij zich nogmaals tot consul gekozen en overwon de Volscers en Aequers, waarvoor hij met een triomf beloond werd. In 450 behoorde hij tot de Tienmannen, die op aansporing van Appius hun ambtstijd wederregtelijk verlengden. Na den val van het Tienmanschap werd vermoedelijk ook Fabius van zijne bezittingen beroofd en in ballingschap gezonden.

Marcus Fabius Ambustus. Deze was consul in 360 vóór Chr. en werd vervolgens nog 2-maal tot die waardigheid benoemd. Hij voerde zeer voorspoedige oorlogen, en werd zelfs tot dictator verheven.

Quintus Fabius Maximus Rullianus (Rullus), een zoon van den voorgaande. Ook deze onderscheidde zich door zijne krijgsbedrijven tegen de Etruscers en Samnieten, werd in 331 vóór Chr. aedilis curulis en was 6 jaar later magister equitum (aanvoerder der ruiterij) onder den dictator L. Papirius Cursor. Daar hij in strijd met de bevelen van dezen slag geleverd had aan de Samnieten, werd hij, hoewel de overwinning behaald hebbende, door den dictator ter dood veroordeeld, zoodat de vereende smeekingen van zijn grijzen vader, van den Senaat en van het volk naauwelijks in staat waren, den bevelhebber tot vernietiging van dat vonnis te bewegen. Toen hij in 322 met L. Fulvius Curvus consul was, behaalde hij eene overwinning op de Samnieten en Apuliërs, maar in 315 leed hij als dictator tegen de Samnieten eene nederlaag, zoodat de Romeinen hunne bezittingen in Campanië enz. verloren. Gedurende zijn tweede consulschap (310) versloeg hij de Etruscers, die Sutrium belegerden, en vervolgens — na een stouten togt over het gebergte — nogmaals bij Perusia, maakte zich meester van hunne legerplaatsen en noodzaakte de 3 staten Arretium, Cortona en Perusia een dertigjarigen wapenstilstand te sluiten. Daar eene nederlaag, door zijn ambtgenoot Marcius in Samnium geleden, de benoeming van een dictator onvermijdelijk maakte, koos hij daarvoor zijn vijand Papirius Cursor, daar deze naar zijn oordeel de meeste geschiktheid bezat voor die betrekking. Voorts behaalde hij overwinningen op de Umbriërs en Etruscers, zoodat hij in triomf Rome binnentrok en ten derden male consul werd. Daarna onderwierp hij de Marsers, Peligners en Umbriërs aan het gezag der Romeinen, en versloeg het volgende jaar, als pro-consul, de Samnieten.

In 304 werd hij censor en bragt aanmerkelijke wijzigingen in het binnenlandsch bestuur, weshalve hij den bijnaam van Maximus ontving. Toen hij in 297 voor de 4de maal tot consul gekozen was, trok hij met zijn ambtgenoot P. Decius Mus naar Samnium, waar hij 23 veldteekens veroverde. In 295 werd hem het consulschap voor de 5de maal opgedragen, waarna hij naar het land der Galliërs toog, die zich met de Samnieten verbonden hadden en een leger telden van 140000 man voetvolk en 46000 ruiters. Op den regter-vleugel stond Fabius tegenover de Samnieten, — op den linker-vleugel Decius tegenover de Galliërs. De eerste bewaarde den geheelen dag eene verdedigende houding, om den onstuimigen moed van den vijand wat af te koelen, terwijl de woeste aanval van zijn ambtgenoot aanvankelijk gelukte, maar bij de onverwachte verschijning der Gallische oorlogswagens door eene vlugt achtervolgd werd. Decius wijdde zich echter ter dood en herstelde hierdoor het evenwigt, waarna Fabius zulk een hevigen aanval deed op de Samnieten, dat zij in overhaasting de wijk namen. Vervolgens viel hij de Galliërs met zooveel kracht in den rug, dat hij eene schitterende overwinning behaalde. Men vermeldt, dat hij den ouderdom van 100 jaren bereikt heeft.

Quintus Fabius Maximus Gurges, een zoon van den voorgaande. Hjj was consul in 292 en verloor een veldslag tegen de Samnieten, welken smaad hij echter aanstonds uitwischte door den vijandelijken bevelhebber C. Pontius gevangen te nemen, zoodat hem zelfs een triomf werd toegekend. Later werd hij nog tweemaal consul, — eerst in 276, in welk jaar hij eene overwinning behaalde op de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs, en daarna in 265, toen hij naar Volsinii trok, om de wederspannige cliënten te beteugelen. Hij sneuvelde bij de belegering van laatstgenoemde stad.

Quintus Fabius Maximus Verrucosus of Ovicula Cunctator, een zoon van den voorgaande en een der meest beroemde leden van zijn roemrijk geslacht. Eene wrat op de lip bezorgde hem den bijnaam van Verrucosus, en zijn zachtmoedig voorkomen dien van Ovicula (schaapje). Hij werd 5-maal tot consul en 2-maal tot dictator gekozen, en was een geruimen tijd princeps Senatus (voorzitter van den Senaat). Reeds gedurende zijn eerste consulschap overwon hij de Liguriërs. In 230 werd hij censor en 2 jaar later op nieuw consul. Bij het uitbarsten van den tweeden Punischen oorlog maakten de overwinningen van Hannïbal aan de Ticinus on aan de Trebia hem niet moedeloos, maar van den beginne af, hoewel vruchteloos, gaf hij den raad, elken veldslag met zulk een gevaarlijken tegenstander te vermijden. Eerst na de vreeselijke nederlaag aan het meer van Trasimene gevoelde men, dat zijn oordeel juist was, en hij werd tot prodictator benoemd. Nadat hij zijne troepen bij Tibur vereenigd had, spoorde hij de bewoners van het platte land aan, om met hunne have de wijk te nemen naar de vestingen, terwijl hij den strijd vermeed en een waakzaam oog hield op al de bewegingen van Hannibal.

Hij bleef in de nabijheid van dezen, hield de hoogten bezet, beroofde hem zooveel mogelijk van alle levensmiddelen en zocht hem allengs te omsingelen. Dit gelukte hem inderdaad, toen Hannïbal aftrok uit Campanië; doch laatstgenoemde redde zich door eene list, namelijk door gedurende den nacht ossen met brandende takken aan de horens naar het Romeinsche leger te jagen en hierdoor verwarring te stichten. Hoe zegenrijk het beleid van Fabius ook wezen mogt, het strookte weinig met de strijdlustige wenschen van zijne soldaten, die hem spottenderwijze Cunctator (den Draler) noemden, en volstrekt niet met de voortvarendheid van M. Minucius Rufus, den aanvoerder der ruiterij. Zelfs te Rome vras men misnoegd over zijne werkeloosheid , en daar de ruiterhoofdman gedurende de afwezigheid van den dictator eenige voordeelen behaald had, werd er goedgevonden, aan beiden hetzelfde gezag toe te kennen. Fabius berustte daarin met zijne gewone kalmte, maar vond niet goed, dat Minucius en hij bij afwisseling het oppergezag in handen zouden hebben; hij verdeelde het leger, om althans de helft te redden. Zooals te voorzien was, liet Minucius zich weldra verlokken tot een veldslag, waarin hij eene geweldige nederlaag zou geleden hebben, indien Fabius hem niet ware bijgesprongen. Minucius was verstandig genoeg, om zich aanstonds weder onder het opperbevel van den dictator te plaatsen. De ambtstijd van Fabius was echter weldra afgeloopen; hij legde het dictatorschap neder, en de nederlaag bij Cannae was hiervan het gevolg.

Toen de tijding van deze ramp tot Rome doordrong, behield Fabius zijne bezadigdheid en nam maatregelen om de stad tegen elken aanval te beveiligen, en te midden van de ongunstige omstandigheden der jaren 215 en 214 was hij als consul werkzaam. In laatstgenoemd jaar had hij M. Claudius Marcellus tot ambtgenoot, door de Romeinen hun zwaard geheeten, terwijl zij Fabius hun schild noemden. Ook nu bleef laatstgenoemde in den oorlog getrouw aan zijn voormalig stelsel. Toen hij in 209 voor de 5de maal consul was, verwierf hij een triomf door de herovering van Tarente, waarbij hij evenwel geene blijken gaf van zijne gewone zachtmoedigheid. Na dien tijd was vooral de Senaat het tooneel zijner werkzaamheid. Daar verzette hij zich met kracht tegen de plannen van Scipio, om den oorlog naar Afrika over te brengen, doch zijne pogingen waren vruchteloos. Hij overleed in 203.

Quintus Fabius Pictor, een der oudste Romeinsche kroniekschrijvers. Hij voerde den naam van Pictor (schilder) als een afstammeling van dien Fabius, welke zich bij het versieren van den tempel der Salus als schilder onderscheiden had (302), en leefde ten tijde van den tweeden Punischen oorlog. Zoowel in dezen als in den Gallischen oorlog bevond hij zich bij het leger en bekleedde in 219 de betrekking van proquaestor. Na den rampspoedigen slag bij Cannae (216) werd hij naar Delphi gezonden, om het orakel te raadplegen over het zoenoffer, dat wegens de geschondene kuischheid van 2 Vestaalsche maagden moest gebragt worden, en bij die gelegenheid heeft hij zich vermoedelijk bekend gemaakt met de Grieksche beschaving en letterkunde. Zijne in het Grieksch geschrevene Romeinsche geschiedenis liep van de aankomst van Aenéas in Italië tot aan den tijd van den schrijver en strekte tot bron aan Livius en aan Dionysius Halicarnassensis; slechts weinig-beteekenende fragmenten zijn er van tot ons gekomen.

Ook eene Nederlandsche familie draagt den geslachtsnaam van Fabius. Van de leden noemen wij:

Jan Fabius, een verdienstelijk regtsgeleerde. Hij werd geboren te Amsterdam den 11den Februari) 1776, studeerde te Utrecht, vestigde zich als advocaat te Amsterdam, werd er notaris, vervolgens lid der criminéle regtbank en eindelijk raadsheer in het Provinciaal hof van Noord-Holland. Hij overleed aldaar den 11den November 1850. Hij onderscheidde zich vooral ook door zijne bekwaamheid als letterkundige, en zag zich versierd met de Grieksche orde van den Verlosser en met de orde van den Nederlandschen Leeuw.

Jan Christiaan Fabius, een broeder van den voorgaande. Hij werd geboren te Amsterdam den 25sten November 1780, studeerde te Utrecht in de godgeleerdheid, en was achtereenvolgens predikant te Lisse, te Leerdam, te Delft en eindelijk te Amsterdam alwaar hij den 18den Maart 1852 als emeritus overleed. Hij was een uitstekend letterkundige en een verdraagzaam godgeleerde, heeft vele voortreffelijke opstellen in tijdschriften geleverd en was lid van de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde te Leiden.

Evert Fabius, een zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Delft in 1810, studeerde te Amsterdam en te Utrecht en promoveerde hier in 1836 met de kap tot doctor in de geneeskunde. Daarna deed hij eene reis door België en Frankrijk en vestigde zich in 1837 als geneesheer te Amsterdam, waar hij reeds in 1843 overleed. Hij heeft eenige belangrijke opstellen in Nederlandsche en Fransche tijdschriften geplaatst.

Gerhardus Fabius, een broeder van den voorgaande, tevens een verdienstelijk viceadmiraal in Nederlandsche dienst en lid van de Tweede Kamer. Hij werd geboren te Lisse den 13den December 1806, bezocht de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam, deed van 1821—1823 als kajuitwachter en daarna als ligtmatroos 3 reizen met eene koopvaardij-brik naar Havanna, en werd in 1824 geplaatst als buitengewoon adelborst bij de Nederlandsche Marine. Met snelheid doorliep hij de verschillende rangen, zag zich in 1867 bevorderd tot vice-admiraal en 2 jaar later gepensioneerd, waarna hij in 1873 door de vrijzinnige kiezers van het kiesdistrict Amsterdam werd afgevaardigd naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal, terwijl hij tevens bij voortduring werkzaam is als lid van het hoofdbestuur van de Vereeniging tot afschaffing van den sterken drank, en van dat van het Nederlandsch Bijbel- en Zendeling-Genootschap.

Opmerkelijk is het, dat deze verdienstelijke zee-officier, nadat hij reeds tot den rang van luitenant ter zee 2de klasse opgeklommen was, onderscheidene reizen naar Batavia volbragt heelt als gezagvoerder van het Nederlandsche koopvaardijschip „Christina Agatha". Lang is voorts de lijst der oorlogschepen, alle nagenoeg stoomvaartuigen, waarop Fabius bevel gevoerd heeft. Daarmede heeft hij de Nederlandsche vlag in alle werelddeelen vertoond. In 1864 werd hij bekleed met de betrekking van directeur en commandant der Marine te Amsterdam, en van 1865 tot 1867 met die van commandant van Z.M. zeemagt en chef van het departement der Marine in Neêrlands Indië.

Trouwens Fabius heeft vele en belangrijke diensten aan den lande bewezen. Gedurende den oorlog met België commandeerde hj achtereenvolgens meer dan ééne kanonneerboot, en beschermde voorts buiten het Kanaal onze koopvaardijvloot tegen de bedreiging der Engelschen. Later was hij adjudant van den commandant van Z.M. zeemagt in Oost-Indië, bezocht tot 3-maal Japan, om een tractaat tot stand te brengen, en stevende in 1862 naar Venezuela, om er voldoening te erlangen voor eene beleediging, onze vlag aangedaan, nadat hij vroeger aan de eerste expeditie naar Bali deelgenomen en verschillende kruistogten tegen de zeeroovers in de Oost-Indische wateren volbragt had.

Hij plaatste onderscheidene opstellen in tijdschriften en dagbladen, werd lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, en zag zich versierd met de Militaire Willems-orde en met de orde van den Nederlandschen Leeuw, waarnaast het Metalen Kruis en dat van 40-jarige officiersdienst niet ontbreken. Voorts is hij grootkruis der orde van den Heiligen Stanislaus (Rusland), commandeur van de orde van St. Mauritius en Lazarus (Italië), officier van de orde van den Verlosser (Griekenland), commandeur der orde van den Medjidié (Turkije) en van de orde van Nichan Istikar (Tunis). Japan schonk hem 2 eeresabels, en hij ontving voorts tal van eervolle vermeldingen, benevens onderscheidene medailles en andere eerebljjken voor het redden van schipbreukelingen.

Zijn broeder Henri Fabius, een verdienstelijk geneeskundige, geboren te Amsterdam den 7den April 1817, vestigde zich in zijne geboorteplaats, en is lid van onderscheidene geleerde genootschappen.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018