El betekenis & definitie

El is de naam van eene lengtemaat, die intusschen voorheen niet overal gelijk was,— ’t geen voor den handel groote moeijelijkheden opleverde. Om haar eene bepaalde grootte te geven, — en wel eene zoodanige, die men des noods kon terugvinden, kwam men in Frankrijk op het denkbeeld, om de eenheid van lengtemaat te ontleenen aan de lengte van den omtrek der aarde. Mechain en Delambre bepaalden na naauwkeurige meting de lengte van een meridiaan of' middagcirkel, en gaven aan het 40-millioenste gedeelte daarvan den naam van mètre. Deze werd de grondslag van een tientallig stelsel van maten en gewigten, hetwelk bij Koninklijk besluit van 29 Maart 1817 ook hier te lande is ingevoerd.

De mètre, meter of Nederlandsche el is verdeeld in 10 palm, 100 duim en 1000 streep. Eene roede is 10 Ned. el, een mijl (kilometer) 1000 Ned. el. Het vierkant met zijden van één Ned. el is de grondslag der vlaktemaat. De vierkante Ned. el heeft 100 □ palm, 10000 □ duim, 1000000 □ streep. De kubieke Ned. el of wisse is 1 Ned. el lang, breed en diep en heeft 1000 kub. palm, 1000000 kub. duim, en 1000000000 kub. streep.

Eene Nederlandsche el is gelijk aan 1,45388 Amst. el, — aan 3,53190 Amst. voet, aan 3,18526 Rijnl. voet, — aan 0,513074 toise, — aan 3,078444 Fransche voet, — aan 0,84117 Parijsche el, — en aan 0,87489 Londensche el. Zie voorts onder Maten en gewigten.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018