Ebert betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Johann Arnold Ebert, een Duitsch dichter en tevens vertaler van onderscheidene Engelsche werken, geboren te Hamburg den 8sten Februarij 1723. Hij studeerde te Leipzig aanvankelijk in de godgeleerdheid, maar bepaalde zich weldra tot de fraaije letteren, terwijl zijn omgang met Gellert, Schlegel, Zachariä, Cronegk, Giseke en Cramer grooten invloed had op de ontwikkeling zijner dichterlijke talenten. Met laatstgenoemde twee gaf hij de tijdschriften „Jüngling” en „Bremische Beitragen” uit. In 1748 werd hij leeraar aan het Carolinum te Brunswijk, waar hij zich in 1753 tot gewoon hoogleeraar, later tot hofraad benoemd zag. Hij overleed er den 19den Maart 1795. Klopstock wijdde aan hen eene ode. Hij zelf leverde eene vertaling van den „Leonidas” van Glover (1749), en vooral eene voortreffelijke overzetting der „Night Thought’s” van Young (1760—1771, 4 dln, 2de uitgave 1790—1795, 6 dln). Zijne verzamelde werken zijn onder den titel „Episteln und vermischte Gedichte” in 1789 verschenen.

Friedrich Adolf Ebert, een verdienstelijk bibliograaf. Hij werd geboren den 9den Julij 1791 te Taucha bij Leipzig, studeerde alhier en te Wittenberg in de godgeleerdheid, legde zich echter vooral toe op de geschiedenis, en werd in 1806 amanuensis van den onder-bibliothecaris van de stads-boekerij te Leipzig. Hij nam deel aan de nieuwe inrigting der universiteits-bibliotheek aldaar en zag zich achtereenvolgens benoemd tot secretaris bij de openbare Koninklijke bibliotheek te Dresden (1814), tot bibliothecaris te Wolfenbüttel (1823), tot zijne voormalige betrekking te Dresden, waar hij tevens die van bibliothecaris des Konings waarnam (1825), tot hofraad (1826), en eindelijk tot opperbibliothecaris (1828). Hij overleed den 13den November 1834. Van zijne werken noemen wij: „Ueber öffentliche Bibliotheken, besonders deutsche Universitätsbibliotheken (1811)”, — „F. Taubmanns Leben und Verdienste (1814)”, — „Torquato Tasso, nach Guinguéné dargestellt (1819)”, — „Die Bildung des Bibliothekars (1820)”, — „Geschichte und Beschreibung der königlichen öffentlichen Bibliothek zu Dresden (1822)”, — „Zur Handschriftenkunde (1825—1827, 2 dln), — „Die Kulturperioden des obersächsichen Mittelalters (1825)”, — en „Ueberlieferungen zur Geschichte, Literatur und Kunst der Vorund Mitwelt (1825— 1826, 2 dln). Voorts leverde hij onder den naam van Günther eene „Darstellung des groszen Völkerschlacht bei Leipzig (1814)”, — „Geschichte des Kriegs der Russen und Deutschen gegen die Franzosen (1816)”, — en „Leben Napoleon Bonaparte’s (1817)”. Zijn hoofdwerk is echter „Allgemeines bibliographisches Lexikon (1821—1830, 2 dln)”.

Karl Egon Ebert, een Duitsch dichter. Hij werd geboren te Praag den 5den Junij 1801, studeerde aldaar in de regten, en werd in 1825 archivaris en bibliothecaris en in 1829 raad en directeur van het archief te Donauëschingen. Reeds als jongeling schreef hij ongeveer 20 drama’s, doch later bepaalde hij zich hoofdzakelijk tot de lyrische poëzie. Van zijne geschriften noemen wij: „Dichtungen (1824, 2 dln, 2de uitgave 1828)”, — „Wlasta (1829)”, een nationaal-Boheemsch heldendicht, — „Das Kloster, idyllische Erzählung in fünf Gesängen (1833)”,.— en de drama’s „Pretislaw und Jutta (1835)”, en „Czeszmir (1835)”. Zijne reeks van sonnetten, getiteld „Ein Denkmal dem Fürsten Karl Egon von Fürstenberg (1855)” wordt zeer geroemd.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018