Eberhard betekenis & definitie

Eberhard was de doopnaam van verschillende graven en hertogen van Würtemberg. Van hen noemen wij:

Eberhard, de Oudere (Senior), graaf van Würtemberg. Hij was een zoon van Ulrich l, regeerde gemeenschappelijk met zijn anderen broeder van 1265 tot 1279, en noemde zich „Een vriend van God en een vijand van alle menschen”. Toen Rudólf van Habsburg sommige bezittingen van hem terugvorderde, sloot hij een verbond met onderscheidene graven, doch leed de nederlaag en moest na het verdrag van Ulm (1274) aan de eischen van zijn vijand voldoen. Bij een nieuwen opstand in 1286 werd hij nogmaals overwonnen. Ook met de volgende Keizers leefde hij in vijandschap, en bij de koningskeuze van 1308 kwam hij zeer in aanmerking. Toen hij in 1309 op den Rijksdag te Spiers heftig aangevallen werd, trok hij verstoord van daar en kwam zelfs tegen den Koning in verzet, toen deze de Alpen wilde overschrijden. Hij werd echter van al zijne bezittingen beroofd, doch herkreeg ze eenigen tijd daarna met uitzondering van Stuttgart en Waiblingen. Hij overleed den 5den Junij 1325.

Eberhard II, de Twistzieke (Rixosus), een kleinzoon van den voorgaande en een zoon van Ulrich III. Hij aanvaardde in 1344 tegelijk met zijn broeder Ulrich V het bewind, was voorspoedig in den oorlog, bestuurde eenigen tijd Lotharingen, en was meermalen opperbevelhebber van het Keizerlijk leger, bepaaldelijk in den strijd tegen Zürich en Eszlingen. De rijkssteden van Zwaben leverden eene aanklagt tegen hem in bij den Keizer, en laatstgenoemde vermaande hem op den rijksdag te Nürnberg, om de rijksvestingen terug te geven. Eberhard echter sloot met andere graven een verbond tegen zijne beschuldigers, doch werd bij Schondorf door den Keizer geslagen. Ook kreeg hij twist met zijn broeder en deed eindelijk in 1364 afstand van de regéring. Zijn verdere levensloop was eene aaneenschakeling van vele glansrijke overwinningen en enkele bloedige nederlagen. Hij overleed den 14den Maart 1392.

Eberhard III, de Vrijgevige, een kleinzoon van den voorgaande en een zoon van Ulrich, die in den slag bij Döffingen den heldendood stierf. Ook deze voerde vele oorlogen, belastte het land met schulden, en overleed den 16den Mei 1417.

Eberhard I, met den Baard (Barbatus), eersten hertog van Würtemberg. Hij werd geboren den 11den December 1445, ontsloeg zich in 1459 van de voogdijschap van zijn oom Ulrich en nam zijn land in bezit. Zijne gemalin Barbara van Mantua vormde den woesten man, die ook reeds een pelgrimstogt naar Jerusalem volbragt had, tot een uitmuntend regent. De ondeelbaarheid des lands werd door hem vastgesteld, en door zijn eigen gezag te beperken werd hij de grondlegger van een vertegenwoordigenden regéringsvorm in Würtemberg. Het handhaven zijner instellingen droeg hij op aan de praelaten, de ridders en den landelijken stand.

Voorts maakte hij zich verdienstelijk door het begiftigen van Stuttgart en Tübingen met stedelijke verordeningen. Hij bevorderde de kloostertucht en de wetenschap en stichtte de universiteit te Tübingen. Het volk vergoodde hem, en hij betuigde openlijk, dat hij in het eenzaamste woud in den schoot van elk zijner onderdanen gerust kon slapen. Hjj had den vrede lief en droeg er als opperhoofd van den Zwabischen Bond veel toe bij, om dien te bewaren. Keizer Maximiliaan I verhief uit eigen beweging hem tot hertog, en hij overleed den 24sten Februarij 1496 te Tübingen zonder kinderen na te laten.

Eberhard is voorts de geslachtsnaam van eenige merkwaardige personen, te weten:

August Gottlob Eberhard, een Duitsch dichter en prozaschrijver, geboren te Belsig in 1769. Hij studeerde te Leipzig in de godgeleerdheid, doch wijdde zich weldra uitsluitend aan de schoone kunst en aan de poëzie. In den aanvang zijner letterkundige loopbaan (1792) leverde hij eene reeks van verhalen, zooals: „List um List”, en „IJsop Lafleur’s sämmtliche Werke”, enz. Daarna vestigde hij zich te Halle en schreef: „Ferdinand Werner, der arme Flötenspieler (1802 en 1808, 2 dln)”, „Fet-Elof (1803)”, — „Gesammelte Schriften (1803—1807, 4 dln)”, — „Federzeichnungen von Ernst Scherzer (1803)”, — en „Ischariot Krall’s Lehren und Thaten (1807)”. Vervolgens kwam hij aan het hoofd van den boekhandel van Renger te Halle, bezorgde met Lafontaine de uitgave van het tijdschrift „Salina (1812—1816, 8 dln)”, en later de redactie van het „Jahrbuch der häuslichen Andacht”. In 1835 verkocht hij zijne boek-affaire en begaf zich naar Hamburg.

Eene reis naar Italië leverde hem stof voor het werk „Italien, wie es mir erschienen ist (1839, 2 dln)”. In 1840 hield hij zich opnieuw bezig met het schilderen in olieverf, en na den brand te Hamburg vestigde hij zich te Dresden, waar hij den 13den Mei 1845 overleed. Zijn roem als letterkundige rust vooral op zijne liefelijke idylle „Hannchen und die Küchlein (1822)”, welke 19 uitgaven beleefd heeft en in onderscheidene talen — in het Nederlandsch door A. Winkler Prins (1840) —, zelfs in het Latijn, is overgezet. Voorts dichtte hij nog „Der erste Mensch und die Erde (1828 en 1834)”. Zijne „Gesammelte Schriften” zijn in 1830 en 1831 in 20 deelen in het licht verschenen, en na dien tijd schreef hij nog „Blicke auf Tiedge’s und Elisa’s Leben (1844).

Johann August Eberhard, een schrijver over wijsgeerige onderwerpen. Hij werd geboren te Halberstadt den 31sten Augustus 1733, studeerde te Halle in de godgeleerdheid, was daarna huisonderwijzer bij den vrijheer von der Horst, en zag zich vervolgens benoemd tot conrector aan het gymnasium en tot tweeden predikant aan de hospitaalskerk in zijne geboortestad. Weldra echter legde hij zijne betrekkingen neder en vergezelde den vader van zijn kweekeling naar Berlijn, waar hij zich aan de wetenschap wijdde en vriendschappelijk omging met Nicolaï en Mendelssohn. Daar hij zich echter ongerust maakte over zijne toekomst, werd hij aldaar predikant in een werkhuis. Omstreeks dien tijd schreef hij zijne „Neue Apologie des Sokrates (1772, 2 dl., 3de uitgave 1788)”, — een werk, dat veel bijval vond en ook veel aanstoot gaf. Daar hij nu op eene bevordering te Berlijn niet hopen kon, werd hij in 1774 predikant te Charlottenburg, hoewel ook hier het gezag van koning Frederik II alle zwarigheden uit den weg moest ruimen.

In 1778 werd hij hoogleeraar in de wijsbegeerte te Halle, en na de uitgave zijner „Allgemeine Theorie des Denkens und Empfindens (1776, 2de uitgave 1786)” lid der Académie van Wetenschappen, in 1805 geheimraad en in 1808 doctor in de godgeleerdheid. Hij overleed den 6den Januarij 1809. Hij was begaafd met eene groote scherpzinnigheid en schreef een duidelijken, boeijenden stijl. Met moed, maar zonder gunstig gevolg streed hij tegen de bespiegelende wijsbegeerte van Kant en Fichte. Van zijne talrijke geschriften vermelden wij: „Sittenlehre der Vernunft (1781 en 1786)”, — „Vorbereitung zur natürlichen Theologie (1781)”, — „Theorie der schönen Künste und Wissenschaften (1783, 3de uitgave 1790)”, — „Allgemeine Geschichte der Philosophie (1788, 2de uitgave 1796)”, — „Handbuch der Aesthetik (1803—1805, 4 dln)”, — en „Versuch einer allgemeinen deutschen Synonymik (1795—1802, 5 dln)”, later door anderen voortgezet. Van zijn „Synonymischer Handwörterbuch der deutschen Sprache (1802)” is in 1861 eene 12de uitgave verschenen.

Konrad Eberhard, een verdienstelijk beeldhouwer. Hij werd geboren te Hindelang in Algau den 25sten November 1768, wijdde zich reeds vroeg aan de beeldhouwkunst en oefende zich vervolgens te München in het atelier van Boos en later te Rome, werwaarts hij in 1806 op last van Lodewijk, kroonprins van Beijeren, vertrokken was. In dien tijd vervaardigde hij „Venus met Amor”, thans in de Glyptotheek, „Een ziftenden Silenus met den jeugdigen Bacchus”, en eene „Leda”. In 1816 werd hij hoogleeraar aan de Académie te München en bepaalde zich tot de Christelijke plastiek, zooals uit onderscheidene kunstwerken blijkt. Hij overleed den 13den Maart 1859. — Ook zijn broeder Franz Eberkard, geboren te Hindelang in 1767, was een vaardig beeldhouwer , en overleed, van het licht der oogen beroofd, op den 18den December 1836.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018