Daemon betekenis & definitie

Daemon is in het algemeen de Grieksche benaming van eene godheid, die zich zoowel in als buiten ’s menschen ligchaam kan bevinden. In meer beperkten zin noemde men daemonen wezens, die een rang tusschen de godheid en den mensch bekleedden. Men sprak van goede daemonen (agathodaemon), die ook wel beschermgeesten heetten, en van booze daemonen (kakodaemon). Vooral als leer van deze laatste heeft de daemonologie eene belangrijke rol gespeeld in de wijsbegeerte, de godsdienst, de dichtkunst en het volksgeloof.

De kiemen van het geloof aan daemonen vindt men bij de eerste ontwikkeling van het menschelijk geslacht, hetwelk naar de oorzaken zocht van goed en kwaad, — en dat geloof werd bevestigd en uitgebreid door de sterrenwigchelarij. Men stelde zich namelijk de sterren voor als góden, die invloed hadden op ’s menschen lot. Daarom wordt in de Zendavesta aan de 12 sterrebeelden van den Dierenriem, als dienaren van Ormuzd (zie onder dezen naam), goddeljjke eer bewezen. — De Egyptenaren hadden 6 klassen van daemonen, en deze bevolkten, naar hun gevoelen, in ontelbaar getal de lucht, het water en de aarde. — De Indiërs huldigden nevens Brahma, Vishnoe en Shiwa meer dan 30000 daemonen (deweta’s), en deze werden beschouwd als de geleiders der vrome afgestorvenen naar de gewesten der zaligheid. — De Chaldeeuwen namen 2 beginselen aan, dat des lichts (het goede) en dat der duisternis (het booze). Uit het eerste onstonden de goede geesten alsmede des menschen geest, en uit het tweede de booze geesten, die aan het stof gebonden waren. — Dit gevoelen werd tot een stelsel verheven bij de Perzen. Volgens Zoroaster zijn aan Ormuzd en Ahriman tallooze geesten des lichts en der duisternis onderworpen. — Naar de meening der Israëlieten waren de daemonen door God geschapen, en wel als niet geheel volmaakte, met verstand en met een vrijen wil begiftigde wezens, die den troon van Jehova omringden en wel eens als gezanten naar de menschen werden afgevaardigd. Dit geloof werd gewijzigd gedurende de Babylonische ballingschap door den invloed der Chaldeeuwsche wijsbegeerte. De daemonen of geesten worden onderscheiden in goede (engelen) en in booze (duivelen); deze laatste stelde men ook voor als afgoden der Heidenen, als bewoners der woestijn en als de oorzaak van vele ziekten. — Grooter uitbreiding verkreeg de leer der daemonen door het Gnosticismus, Rabbinismus en Kabbalismus. Volgens dit laatste waren de goede geesten in 10 orden verdeeld, en elk van deze had een afzonderlijk opperhoofd; de namen dier aanvoerders of aartsengelen waren Michaël, Zephanja, Gabriël, Urièl, Chasnal, Tarsjisj, Zadkiël, Cherub, Raphaël en Jehtiël, en elk van deze had zjjn afzonderlijken werkkring.

Alle rijken der natuur waren daaraan onderworpen, terwijl op dergelijke wijze ook de booze geesten in klassen waren verdeeld. — Bjj de Grieken was de daemonologie meer van dichterlijk-wijsgeerigen aard. Welligt is zij met de wetenschap der oude Magiërs uit Bactrië, Medië of Babylon derwaarts gekomen. De geesten hadden er geen toegang tot de godsdienst, omdat deze tot góden verhevene menschen huldigde. Omtrent de daemonen was de voorstelling bij de dichters zeer verschillend; zeker is het, dat men elke merkwaardige daad aan den invloed van een daemon toeschreef, dat de daemonen eene belangrijke rol vervulden in de mystériën, en dat wijsgeeren de leer der daemonen op eene wetenschappelijke wijze behandelden. Sommige wijsgeeren — en onder deze vooral Sócrates en Plato — waren van meening, dat ieder mensch zijn eigen daemon had, bestemd om hem te bestraffen en te verbeteren, om hem te waarschuwen tegen het kwaad en aan te sporen tot het goede.

Bij het volk ontwikkelde zich echter het geloof aan booze daemonen, die teregt kwelgeesten werden genoemd, daar zij in allerlei spookgedaanten en verleidelijke vormen den mensch kwamen verontrusten.— Tot nog grooter volkomenheid klom de leer der daemonen bij de Romeinen, die zoowel de bestanddeelen der Oostersche als die der Grieksche daemonologie overnamen. Volgens de verdeeling van Nigidius waren er geesten van Zeus (Jupiter) en van Poseidon (Neptunus), van de onderaardsche góden en van de menschen. Volgens het gevoelen der Romeinen was dieer mensch van een goeden en van een boozen geest vergezeld. Indulgere Genio (aan den geest toegeven) beteekent bij hen „zich wijden aan het hoogste levensgenot” en defraudare Genium (aan den geest zijn regt onthouden) staat daar tegenover. De booze daemon werd voorgesteld in eene afzigtelijke gedaante met een hamer in de hand, en de goede daemon als een vriendelijke knaap, met vleugels voorzien en gehuld in een met sterren bezaaid kleed.

Ook in lateren tijd bleef het geloof aan daemonen, aan goede en booze geesten, aan engelen en duivelen voortduren. Wij vinden daarvan de bewijzen in de nikkers, aardmannetjes, weerwolven enz. Zelfs in de Christelijke Kerk is het steeds gehandhaafd, omdat de gewijde schriften er melding van maken: men zie onder Duivel, Engel en Tooverij.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018