Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

Gepubliceerd op 14-11-2019

duivel

betekenis & definitie

Het Nederlandse woord duivel is ontstaan uit het Griekse diabolos, dat ‘lasteraar’ betekent. In de Middeleeuwen was viant ‘vijand’ vaak de naam voor duivel. Daarnaast komen voor satan ‘vijand’ en Lucifer, de opperduivel.

In vroeger eeuwen, toen engelen, vagevuur, hemel en hel nog een vitale rol speelden in het dagelijkse leven van de mensen, is de verwensing wat duivel, loop naar de duivel! van een hoog vernietigingsgehalte. In de 17de eeuw komen de volgende twee verwensingen voor: iemand voor de duivel op Marken wenschen! en dat die de duvel haal en voer die op een kar na Bremen! De betekenis van beide is ‘hoepel op’.

Vgl. Stoett (1943: nr. 1431).

De verwensing de duivel hole mij! of de duvels mogen mij halen! of oppakken! zijn zellverwensingen; men moet ze aanvullen met als niet ... Zij komen in het zuiden van het taalgebied nog steeds voor. Hedendaags zijn ook de duivel zij vervloekt, de duivel zij gedankt! Tegenwoordig betekent de vloek niet veel meer dan ‘maak dat je wegkomt’.

Overigens kwam in het oudere Nederlands in dezelfde betekenis ook loop voor de duivel! voor.Terloops wijs ik er hier op dat vooral in het wat oudere Nederlands werkwoorden voorkomen als boggeren en diabelen, die letterlijk betekenen ‘telkens verduiveld, donders zeggen’. De herkomst uit het Frans is duidelijk (bougre en diable). Beide wijzen op het gebruik als platte vloeken.

In het Middelnederlands komen de volgende verwensingen met duivel voor: die duivel hebst deel ‘de duivel zij vervloekt’; dies moet die duvel hebben deel ‘hiervoor moet de duivel vervloekt zijn’; dies hebbe die duvel deel; de duvel wouts; die duvel moets wouden; des moeste die duvel wouden; des moeste die duvel wouden ‘moge de duivel dit willen’; de duivel zij gedankt, vervloekt, verduiveld; Ic woudse de duvel moeste halen ‘ik zou willen dat de duivel hen haalde’; de duvel haal depry ‘dat de duivel dat kreng hale’; de duvel haalje; die duvel moet di henen dragen ‘moge de duivel je wegvoeren’; die duvel moet U geleiden; hi ga daerne di duivel gheleet ‘laat hij daarheen gaan waarheen de duivel hem leidt’; nu vaer in der duyvelen hant ‘kom nu maar in de macht van de duivel’; de duvel schende U ‘laat de duivel je maar in het verderf storten’ en die helse duvel moet U den hals breken ‘de duivel uit de hel moge je hals breken’.

In de tweede helft van de Middeleeuwen appelleert de kerk steeds meer aan de persoonlijke emoties van de mensen. Steeds meer ruimte werd er geboden aan persoonlijke geloofsbeleving en verbeelding. Die persoonlijke devotie draaide om de zorg voor het zielenheil, om de hoop op verlossing na de dood en om de afweer tegen het kwaad, d.w.z. de duivel. Het gebed was de eenvoudigste vorm van devotie en had een magische, bezwerende kracht. Bidden hielp als middel tegen het kwaad, het hielp in angstige situaties, bij onweer of bij de dreiging van geweld. Het was van belang om uit de klauwen van het kwaad en in de invloedssfeer van het goede te blijven.

Maar hoe deed je dat bij een duivel die zich in vele gedaanten kon vermommen? Hij kon afzichtelijk zijn, maar hij kon ook een menselijke gedaante kiezen, zoals de eenogige Moenen die Mariken, een meisje uit Nijmegen, verleidde. Er was een gemoedelijker type, de kleine ondergeschikte duivel, wiens zorg het was kleine zonden te verzamelen. De duivel kon zelfs de gedaante aannemen van de Moeder Gods om mensen in verwarring te brengen (Nijsten 1994: 21-33).

De duivel, Satan, is in de bijbel de tegen werker van Gods heilsplan, maar ook de vijand van de mens. Sinds Satan door God vanwege zijn hoogmoed uit de hemel gestoten werd, hebben de duivels zich voortdurend ingespannen om de mensen, die hun plaatsen in de hemel konden gaan innemen, tot zonden te bewegen (Resoort 1980: 7).

Ook op het gebruik van het woord duivel rustte een taboe. Niet alleen omdat het gebruik ervan de toehoorders kon beledigen, maar vooral ook omdat het volksgeloof ervan uitging dat de duivel bij aanroepen ook daadwerkelijk kwam. Dat neemt niet weg dat als mensen aan een soort zelfreiniging willen doen, als zij zich emotioneel willen ontladen, zij moeten kiezen uit twee mogelijkheden. Mogelijkheid één is ervoor te kiezen om maatschappelijk niet al te zeer te choqueren; men respecteert de normen van de samenleving, men gebruikt eufemismen of substituties voor het taboewoord en men ontlaadt zich dus minder heftig. Mogelijkheid twee is, maling hebben aan die samenleving en het taboe volledig doorbreken, dysfemismen gebruiken, choqueren, zichzelf volledig ontladen en sancties op de koop toenemen.

Roep je de duivel aan, dan loop je zeer grote risico’s. Zo’n aanroep kon leiden tot een verbond met die duivel. Toen de godsdienst nog niet het kerkhof van de wetenschap was, was er de gelovige mens veel aan gelegen om de duivel buiten de deur te houden. Nam de mens bij exclamaties toch zijn toevlucht tot het gebruik van dat woord, dan zien wij vooral verbasteringen en substituties. Volgens de Grote van Dale (1999) komen in het hedendaags Nederlands ook nog de volgende vloeken en verwensingen voor: loop naar de duivel, de duivel hole je, naar de duivel, kom hier voor de duivel, wat duivel!, wie duivel zou daar komen? Verschueren (1996) kent ook nog de verwensing wel alle duivels! en wat te duivel is me dat nou! Beide drukken ergernis en woede uit. In het West-Brabants komt nu nog voor bij den duvel en zijn ouwe moer! Hedendaags is in Vlaanderen, maar ook in Zeeland, in het Twentse Deurningen, in Beverwijk, Leiden, Noordwijkerhout, Sittard, in Leeuwarden en in Grouw krijg de duivel voor je nieuwejaar! Ik vat nieuwejaar hier op als ‘nieuwjaarsgeschenk, nieuwjaarsfooi’.

De emotionele betekenis van die vloek drukt niets anders als verachting uit. Dat geldt ook voor loop naar de duivel en loop geen heilige omver! en loop naar de duivel om een kruisje!, twee verwensingen die alleen in Vlaanderen voorkomen. Vgl. Mullebrouck (1984). Ook noteerde ik het archaische de duivel vaart u in ’t harte! Voor mijn taalgevoel komt in het actieve taalgebruik alleen nog loop naar de duivel! frequent voor. Ook het tussenvoegsel duivels! is nog zeer productief om boosheid, ergernis e.d. uit te drukken. De Baere (1940:137-143) heeft kunnen vaststellen dat de uitroep duyvel (met als varianten duivel en duvel) reeds in de 14de eeuw voorkwam, maar vooral daarna niet zeldzaam was.

zie boze, Bremen, derde maat, droelie, droes, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duiventer, duizend, halen, flikker, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, lopen, Marken, nikker, ontploffen, opeten, pestilentie, pikken, pokken, popelsie, sterven, stikken, vijand.