Gepubliceerd op 20-01-2021

Bevalling

betekenis & definitie

(Lat. partus) Het beloop van het baren, van de uitdrijving der vrucht uit het moederlichaam. Normaal vangt de B. aan wanneer de vrucht voldoende ontwikkeld is om buiten de baarmoeder zich verder te ontwikkelen tot een aan do ouders gelijksoortig individu.

Bij den mensch is de vrucht in de 40ste week na de ontvangenis voldragen, en de bevalling heeft in het algemeen plaats tusschen den 270—280sten dag der zwangerschap. Omstreeks dezen tijd begint de baarmoeder (zie aldaar, deel I pag. 698a) der zwangere zich saam te trekken; deze elkaar steeds sneller opvolgende saamtrekkingen of weeën vangen aan bij het bovenste, gesloten gedeelte der baarmoeder en dringen zoodoende de vrucht (die nog door de eivliezen en de daarin vervatte vloeistoffen (zie Allantois en Amnion) besloten is en gewoonlijk met haar lengte-as in de lengte-as der baarmoeder is gelegen) benedenwaarts, naar den baarmoederhals en den moedermond, die zich onder dezen aandrang allengs verwijden en uitzetten en tot doorlating der vrucht in staat gesteld worden. De eivliezen met hunne vochten en de vrucht vormen in den moedermond op dit tijdstip tezamen een gespannen elastische blaas, die onder de saamtrekkingen der baarmoeder steeds lager daalt en tot de langzame verwijding van den moedermond belangrijk bijdraagt.; deze blaas, die in sommige gevallen kunstmatig moet worden geopend, scheurt bij normale bevallingen ten slotte onder den gedurigen aandrang, waarbij het daarin vervatte vruchtwater afloopt (afloopen van het water) en het voor de opening liggende deel der vrucht, in de meeste gevallen het hoofd, in den moedermond treedt; hiermede is de eerste periode der bevalling, die der opening, geëindigd, en vangt de uitdrijvingsperiode aan, gedurende welke de vrucht door de toenemende krachtsontwikkeling van het spierstelsel der baarmoeder steeds verder in de geboortewegen voortgeschoven en eindelijk uitgestooten wordt; dat dit niet dan betrekkelijk zeer langzaam geschiedt vindt zijn oorzaak in den bouw van het benedendeel van het vrouwelijk bekken (zie Bekken), dat een soort kanaal vormt; de vrucht moet op haar doorgang door bedoeld kanaal, terwijl zij in gekromde ligging voorwaarts wordt geschoven, ietwat om haar lengte-as draaien, in zekere mate eèn spiraallijn beschrijven. Ook de buitenste deelen der bij de bevalling in werking tredende organen leggen het uittreden der vrucht nog eene, dikwijls zeer groote, belemmering in den weg, doordat zij ter doorlating zich zeer sterk moeten verwijden, hetgeen dikwijls met zware beleediging en beschadiging (inscheuring) dier deelen gepaard gaat.

Gedurende de uitdrijvingsperiode werken behalve de saamtrekkingen der baarmoeder ook de buikspieren en het middenrif, en in zekere mate het geheele lichaam der barende mede. Het schijnt daarbij eene in den bouw van het vrouwelijk lichaam begrepen noodwendigheid, volgens de nieuwere inzichten der wetenschap slechts het gevolg van ontaarding van het vrouwelijk lichaam, dat het baren niet dan langzaam en met geweldige inspanning en krachtsontwikkeling, waarmee duldelooze smarten verbonden gaan, geschieden kan, terwijl het bij de dieren over het algemeen, tengevolge van het bij deze ruimere bekken, snel en gemakkelijk plaats heeft. Nadat de baarmoeder ten slotte op de aangegeven wijze het kind heeft uitgedreven, doet zij nog de organen volgen die gedurende de zwangerschap tot voeding en bescherming van het foetus (de vrucht) dienst deden, en die tijdens het baren merkbare veranderingen ondergingen, n.l. den moederkoek, de eivliezen en een deel van de navelstreng, tezamen de nageboorte geheeten; deze periode der beval- ling wordt genoemd de nageboorte-periode. Het uitdrijven der nageboorte geschiedt op dezelfde wijze, door saamtrekking der baarmoeder en gaat evenzoo mot smarten (na- weeën) gepaard; de moederkoek (placenta) wordt hierdoor eerst van de binnenzijde der baarmoederslijmheid losgemaakt, waarbij door de opzwellende vaten eenig bloed in de baarmoederholte wordt uitgestort; ten slotte wordt de koek benevens zijn aanhangselen uitgedreven, hetgeen binnen een half of heel uur na de bevalling plaats heelt. Hiermede is de bevalling geëindigd en vangt de periode van het kraambed (zie aldaar) aan.

De bevalling, het baren zelf, is voor zich een physiologisch proces, een natuurlijke verrichting van het vrouwelijk lichaam, dat op deze verrichting berekend en gebouwd is. Voor een regelmatige geboorte wordt vereischte, dat het bokken en de overige bij de bevalling in werking tredende organen der barende regelmatig gebouwd zijn, dat de grootte der vrucht met de wijdte van het bekken overeenkomt, en dat de ligging der vrucht den doorgang toelaat en begunstigt. Werken deze voorwaarden mede en treden geen bijkomende stoornissen op, dan verloopt de bevalling, zoo al niet zonder smarten, betrekkelijk gemakkelijk en is zij binnen 3—12 uren afgeloopen. Zij kan echter een veel grooter tijdruimte vereischen, zonder nog bepaald onregelmatig genoemd te kunnen worden, b.v. wanneer bij gevorderden leeftijd der moeder door de verminderde veerkracht der betrokken organen de verwijding van den baarmoedermond enz. een minder snel beloop heeft, en vooral ook wanneer een of meerdere der bovengenoemde voorwaarden niet aanwezig zijn; steeds wordt het overwinnen van den tegenstand, die het bevallen hierdoor ondervindt, zooveel mogelijk aan de natuur overgelaten, b v. bij onregelmatig gebouwd bekken der moeder of bij ongunstige ligging der vrucht. Blijkt dit echter de natuur niet mogelijk, of vorderen andere omstandigheden de bespoediging der haring, dan moet de tegenstand door de kunstmiddelen der Verloskunde worden overwonnen, al naar de oorzaak van het oponthoud; in dit geval is de bevalling onregelmatig. Andere onregelmatigheden in de bevalling hebben betrekking op den tijd, dien de vrucht in het moederlichaam heeft doorgebracht; in dezen zin noemt men een bevalling, waarbij een vrucht van minder dan 17 weken ter wereld wordt gebracht, een miskraam; heeft de bevalling tusschen de 17de en 28ste week der zwangerschap plaats, dan spreekt men van een ontijdige bevalling (partus immaturus); een vroegbevalling noemt men de bevalling, die tusschen de 28ste en 36ste week geschiedt, wanneer de vrucht nog wel niet ten volle ontwikkeld doch wel levensvatbaar is.

Of van een late bevalling (partus serotinus of retardatus) in dien zin gesproken kan worden dat de baring na de 40ste week intreedt, wordt als zeer twijfelachtig beschouwd, te meer daar de moeder, op wier opgaven de berekening van den zwangerschapsduur hoofdzakelijk berust, zich ten opzichte van den juisten tijd der ontvangenis lichtelijk kan vergissen. De uitdrukkingen misgeboorte, twee- en drieling, enz. hebben minder betrekking op de baring dan op het ter wereld komende.

Bij dieren noemt men doorgaans slechts bevalling het werpen van levende jongen, ofschoon het eierleggen evenzoo als zoodanig is op te vatten.