Gepubliceerd op 19-01-2021

Baarmoeder

betekenis & definitie

(Uterus matrix) Fr. matrice, dtsch Gebärmutter, Fruchthalter, eng. womb. Bij menschen, apen en tandeloozen een enkele, onverdeelde holte, die het door de eileiders van de eierstokken aangevoerde ei opneemt, het gedurende de geheele ontwikkeling tot embryo herbergt en de voldragen vrucht bij de geboorte uitdrijft.

Zij is gelegen in het kleine bekken (zie aldaar) tusschen de blaas en den endeldarm; een buikvliesplooi bekleedt de B. voor het grootste gedeelte met een uitwendig hulsel (membrana utiri externa), en breidt zich vervolgens naar weerskanten uit tot de breede baarmoederbanden (ligamenta uteri lata); een deel der plooi wordt tot eierstokband (ligamentum ovarii), en beneden- en bovenwaarts strekken zich de ronde B.-banden (iligamenta uteri rotunda) uit, die uit de liesbanden der voornieren zijn gevormd; bovendien wordt de B. nog door een afzonderlijke band met de blaas, en door een andere met den endeldarm verbonden en aldus op haar plaats gehouden. Deels overlangs, deels overdwars, loopt een spierrok die uit organische spiervezelen bestaat. Bij den mensch is de wand der B. het dikst; de holte der B is in den maagdelijken toestand 6 tot 7 c.M. hoog, van boven 4 tot 5 en van onderen 1 tot 3 c.M. breed, welke afmetingen na de eerste bevalling iets grooter zijn. Men onderscheidt aan de B. meerdere afdeelingen: het bovenste en breedste deel heet grond (fundus), het middelste langere en zich naar onderen allengs versmallende deel corpus, en het onderste en smalste deel hals (collum), of scheededeel (portio vaginalis), waarin de moederscheede {vagina) mondt, die vóór de gemeenschap door het scheede-klepvlies of maagdevlies (hymen), een plooi van het slijmvlies, gescheiden wordt van de buitenscheede of den voorhof der scheede (vulva, canalis urogenitalis), welke eindigt in den moedermond (orificium uteri externum). De baarmoederholte is in den niet-zwangeren toestand zeer eng; de voor- en achterwand kunnen elkander raken. Haar gedaante beantwoordt aan een driehoek met den basis naar boven en den tophoek omlaag gekeerd; aan de beide bovenste hoeken bevinden zich twee zeer kleine openingen, waardoor de losgelaten eieren in de baarmoederholte treden.

Ten opzichte van haar bouw onderscheidt men drie lagen: het reeds bovengenoemde hulsel, de spierrok en de slijmhuid die met de slijmhuid der scheede en der eileiders verbonden is; de slijmhuid bekleedt den binnenwand der B., en is uiterst week, zacht en vaatrijk; tijdens de menstruatie is zij met bloed gevuld, donkerrood en drie, viermaal dikker dan gewoonlijk; door de aan de oppervlakte liggende vaten treedt bloed in de baarmoederholte, dat vervolgens als menstruaalbloed naar buiten treedt. Grooter zijn de veranderingen die de B. tijdens de zwangerschap ondergaat; wordt een ei, dat bij elke menstruatie in de B. geraakt, bevrucht, zoo blijft het in de holte achter, zet zich in de slijmhuid vast, en wordt van de wanden der B. uit gevoed, waarna de baarmoeder slijmhuid innig met het eihulsel vergroeit; gelijktijdig neemt de B. aanmerkelijk toe in omvang, dikte en ruimte, zoodat zij in het laatste tijdperk der zwangerschap bijna de geheele buikholte inneemt, terwijl het spierstelsel zich tevens sterk ontwikkelt en daardoor tot de krachtsontwikkeling, vereischt voor de uitdrijving der voldragen vrucht, in staat wordt gesteld. Bij de bevalling (zie aldaar) wordt de baarmoederslijmhuid, tegelijk met de eihulsels en den moederkoek, tezamen aangeduid met den naam van nageboorten mede uitgedreven, waarna de B. een ronden vorm heeft; na de lediging neemt zij allengs haar oorspronkelijke gedaante weer aan, en binnen 6 tot 7 weken heeft zich een nieuwe baarmoederslijmhuid gevormd.Tijdens de verschillende leeftijden biedt de B. ten opzichte van haar anatomische verhoudingen opmerkelijke verschillen. Bij kinderen zijn het corpus en de fundus klein, slap en onontwikkeld en worden in massa en omvang door hals- en scheedegedeelte overtroffen; allengs ontwikkelen de bovengedeelten zich en verkrijgen tegen de periode der geslachtsrijpheid de boven omschreven normale gedaante; na het ophouden der geslachtsfunctiën en in den hoogen ouderdom verslapt de B. meer en meer en neemt ten slotte weer zoo ongeveer den vorm aan, dien zij in de jeugd van het individu had.

Met belangrijke afwijkingen, doch die steeds toelaten een gemeenschappelijk grondplan van bewerktuiging te onderkennen, wordt dit orgaan bij alle vormen van de klasse der zoogdieren teruggevonden. Naar gelang het dier een hoogere plaats in deze klasse inneemt zijn de eileiders volkomener tot een enkele holte versmolten. Bij de paarden, de herkauwers, de roofdieren, de insecteneters en de walvischachtigen heeft de B. twee verlengselen of hoornen ('uterus bicornis)\ bij de meeste knaagdieren is zij door een tusschenschot als in twee helften gescheiden (-uterus bipartitus), zoodat bij deze dieren eigenlijk reeds twee baarmoeders zijn; deze scheiding aat nog verder bij de buideldieren, bij wie e beide baarmoeders nog slechts aan het benedeneinde onderling zijn vergroeid; de scheiding is ten slotte volkomen bij de vogelbekdieren.