Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

STANDAARD

betekenis & definitie

STANDAARD - m. (-en,-s), STANDERD, rn.(-s), vaandelstok; vaandel der cavalerie: den standaard planten, neerzetten:

— (zeew.) de standaard of koning van het roer, van het spil, de hoofdbalk;
maatstaf, ijkmaat: standaard van den meter, het kilogram; -
— (muntwezen) de gouden standaard, uit goud geslagen standpenning als grondslag van een muntstelsel, (ook) muntstelsel met gouden standaardmunt: de zilveren standaard;
— voorstanders van den dubbelen standaard, die zoowel het zilver als het goud tot grondslag van het muntstelsel willen hebben.