Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VAANDEL

betekenis & definitie

VAANDEL - o. (-s, -en), veldteeken (voor de infanterie) in vierkanten vorm, met het rijkswapen er op; het vaandel zwaaien; het leger trok uit met vliegende vaandels en slaande trom;

doek, aan een stok gedragen, met emblemen, opschriften, banier van eene vereeniging, bij processies, optochten enz. meegevoerd;
— (eert.) vendel, afdeeling krijgsvolk, die onder één vaandel optrokken;
— zekere hoeveelheid: een vaandel haring, een tal, 200 stuks.