Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Brij

betekenis & definitie

BRIJ, v. (-en), half vast, half vloeibaar kooksel, inz. weeke spijs, bereid van boekweitmeel of rijst; (bij uitbr.) eene weeke, half vloeibare stof eene brij van modder; (spr.) veel koks bederven de brij, waar velen tegelijk zich met iets bemoeien, komt het gewoonlijk verkeerd uit;

— elk wat van de brij, ieder krijgt een gedeelte;
— (gemeenz.) de meid is verliefd, zij laat de brij aanbranden, zij moet in de kraam;
— (gew.) brij met boonen, boerenjongens.