Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Officier

betekenis & definitie

Officier m. (-en, -s), (rechtsw.) Officier van Justitie, de eerste rechterlijke ambtenaar bij eene arrondissements-rechtbank die belast is met de uitoefening van het Openbaar Ministerie, d. i. aan wien is opgedragen de handhaving der wetten, de vervolging van alle misdrijven, en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen;

— Substituut-officier van Justitie, de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij eene arrondissements-rechtbank, die in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den Officier, den dienst waarneemt;
— hulpofficier, ieder ambtenaar, die ingevolge de betrekking, die hij bekleedt, tevens belast is met de taak om de misdrijven op te sporen en ter kennis van den Officier van Justitie te brengen, t. w. kantonrechters, burgemeesters, directeuren van politie en waterschouten, commissarissen van politie enz.;
— (in de hofhouding van een vorst) beambte tot het huis van een vorstelijk persoon behoorende, als kamerheeren, stalmeesters, jagermeesters, ceremoniemeesters enz.;
— (krijgsw.) ieder die, hetzij op de vloot of in het leger, den rang heeft van luitenant of hooger: officier der marine; officier der artillerie epz.;
— (op koopvaardijschepen) algemeene benaming voor de stuurlieden, den bootsman en den timmerman; (marine) officier-machinist, machinist met den rang van officier;
— (zee- en landm.) officier van administratie, officier die belast is met de kleeding, voeding en het betalen der soldij;
— officier van gezondheid. arts, tot den geneeskundigen dienst bij het leger behoorende;
— (bij sommige ridderorden) benaming van den rang boven dien van ridder, en onder dien van kommandeur. OFFICIERTJE, o. (-s).