Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lazarus

betekenis & definitie

1. Lazarus bn. besmet met lazarij of melaatschheid. Zie het volgende LAZARUS;

— (plat) hij is lazarus, stomdronken;
— (plat) ben je lazarus ? ben je bedonderd, ben je gek ? wat denk je wel 2. Lazarus m. (-sen), inz. de naam van den in de H. S. (Lukas 16 vs. 20) genoemden melaatsche, die later tot beschermheilige of patroon der kranken, inz. der melaatschen, aangenomen werd; arm als Lazarus, van alles beroofd, doodarm, zoo arm als Job; melaatsche.