Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Gek

betekenis & definitie

Het begrip gek heeft 3 verschillende betekenissen:

1. gek - GEK, bn. bw. (-ker, -st), van het verstand beroofd, krankzinnig: gek zijn, worden;
dat gezeur zou mij gek maken, het verstand doen verliezen en tot onzinnigheden of buitensporigheden doen overslaan;
— zich {half) gek zoeken, lang en ijverig, doch vruchteloos, naar iets zoeken;
— het is om gek te worden, nl. door hevige ergernis, afmattende zorgen, overmatige drukte, waarbij iem. het hoofd omloopt;
— in woorden of daden blijken gevende van gemis aan gezond verstand, onnoozel, dwaas, zot: een geleerde gek is veel gekker dan een onwetende;
— hij zou kans hebben voor die betrekking is hij gek ? daar behoeft hij in ’t geheel niet aan te denken;
— gansch, volstrekt niet gek zijn, zeer goed zijn verstand hebben;
— gek genoeg zijn iets te doen;
— hij is zoo gek niet, als hij er wel uitziet, hij is verstandiger dan men zou vermoeden;
— hij is te gek om alleen te loopen, het is een groote dwaas;
— wel goed. maar niet gek, wel goedhartig, maar niet dwaas of sullig;
— mal, bespottelijk wat zie je er gek uit met dien hoed op !;
— door allerlei dwaasheden of grappen, koddige gezegden, kwinkslagen, kluchtige invallen enz. anderen vermakende en aan het lachen brengende, grappig, kluchtig: je moet vooral kennis met hem maken het is de gekste vent van de wereld en je zult je slap lachen om zijne uien en dwaasheden;
— gek met iem. of iets zijn, eene buitensporige, overdreven liefde of genegenheid voor hem betoonen, er erg mal mee zijn;
— gek op of naar iem. zijn, smoorlijk op iem. verliefd en daardoor tot allerlei dwaasheden in staat;
— dwaas, mal, zot, onzinnig: gekke redenen; gekke waan; gekke gedachten; een gekke inval, eene gekke uitdrukking;
— gekke praat, malle taal, zottepraat, onzin, meer gewoonlijk gekkenpraat geheeten;
— dat zulke verstandige vrouwen ook eens iets geks doen;
— gekke streken begaan, uithalen;
— (van stoffelijke of onstoffelijke zaken die een persoon betreffen) door ongerijmdheid, zonderlingheid of buitensporigheid een dwazen indruk makende, bespottelijk, dwaas, mal, zot: ik had toen de loffelijke gewoonte van met alles te lachen, dat mij zoo gek voorkwam;
— ik wil mij aan uwe gekke (malle, ongepaste) scherts niet meer storen;
— dat is al te gek, dat (te doen of te gelooven) is al te dwaas of te ongerijmd;
— dat is te gek om van (of over) te spreken, dat is te gek om alleen, om los te loopen (in gewestelijke spraak ook wel: dat is te gek om op een hek te zetten) enz., gemeenzame zegswijzen om te kennen te geven, dat men hetgeen een ander mededeelt, voorslaat of opwerpt, als volstrekt ongerijmd verwerpt;
— een gek figuur maken (of slaan), door zijn optreden, houding of doen een belachelijken indruk maken;
— slechts nu en dan heeft hij gekke kuren;
— het gekke (van iets), het bespottelijke van iets;
— den spot, lachlust opwekkende gekke kapsels; wat een weergaschen gekken hoed heb jij op !;
— een gek geval, een geval waarop men niet gerekend had, en waar men mooi mede inzit;
— zich in een gekken toestand geplaatst zien, in een neteligen, lastigen, moeilijken toestand;
— kunnen wij er niets aan doen ? dat is gek, dat komt leelijk uit;
— dat ziet er gek uit, dat is een leelijk, een netelig geval;
— bw. (van wijze) op eene gekke wijze, dwaas, bespottelijk: iets gek doen, zeggen enz.;
— ge hebt daarin al heel gek gehandeld;
— gek kijken, opkijken of opzien, gek staan of zitten kijken, vreemde oogen opzetten, verwonderd opzien;
— bespottelijk: zet toch dien hoed niet op, die je zoo gek staat;
— er gek afkomen, er leelijk of slecht afkomen;
— dat komt gek uit, verkeerd uit, (ook) anders dan wij verwacht hadden;
— dat komt gek, of dat treft gek, dat treft slecht, dat komt leelijk.

2. gek - GEK, m. (-ken), iem. die aan zinsverbijstering lijdt, een krankzinnige;
— zulke gekken zitten er in het dolhuis niet, grooter gekken bestaan er niet;
— iemand die in woorden of daden blijken geeft van gemis aan gezond verstand, die erg onnoozei is of aan inbeelding en eigenwaan lijdt, een zot: hij is een gek, maar hij is toch goed; elke familie heeft haar eigen soort van gekken; twee halfgeleerde gekken; een groote gek; een verwaande gek: een volkomen, volslagen gek; een halve gek; een dubbele, driedubbele gek;
— een (de, die) oude gek, in toepassing op dwaze, stijfhoofdige of onredelijke oude lieden, inz. als schimpwoord;
— een hoofsche gek, een verwaande, belachelijke pronker met hoofsche vormen;
— een gek in folio, een overgroote gek;
— als een gek (gelijk een dwaas) handelen, zich gedragen enz.;
— als een gek staan, zitten kijken, onnoozel, wezenloos of beteuterd;
— zoo blij als een gek, dolblij, uitgelaten blij;
— hansje mijn gek, spottende benaming voor een zotskap, met wien men zich vermaakt of den draak steekt;
— iem. voor den gek houden, den spot met hem drijven, hem beetnemen, zich te zijnen koste vermaken;
— met iemand den gek steken, scheren, jagen, (in Z. A. den gek met iem. spelen), hem voor den gek houden, met hem den spot drijven, zich te zijnen koste vermaken;
— met iets den gek steken, scheren, jagen, er den spot mede drijven, er zich vroolijk mede maken, of wel, de zaak niet in ernst oehandelen, niet ernstig opnemen;
— (gew.) scheer mij den gek !, stel je nu niet bespottelijk aan, loop naar de pomp;
— ge moet er den gek niet mee steken, de zaak is zeer ernstig;
— (w. g.) met den gek gebruid zijn, niet recht wijs zijn;
— die kwajongens laten de meid wat voor gek naar de bel loopen. voor niets:
— laten jelui me hier voor gek staan ?, voor niemendal;
— voor het gekje loopen, tot spot van anderen rondloopen, voor den gek gehouden worden;
— ik, zei de gek, scherts, toegepast op lieden die gaarne hun ik, hun eigen persoon, bij alles te pas brengen;
— op den eersten April zendt men de gekken waar men wil, op den eersten April houdt men de lieden voor het lapje;
— allemans vriend is veel-mans-gek, die iedereen te vriend wil houden, wordt door menigeen beetgenomen; (Zuidn.) menigmans vriend is allemans gek;
— al te goed is buurmans gek, wanneer men al te goed is, wordt er misbruik van gemaakt;
— de gekken krijgen de kaart, den dwazen loopt het geluk mede;
— één gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden;
— gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen, of gekken en kwasten schrijven hun namen op tafels en kasten, het zijn dwazen die hun naam overal opschrijven;
— het moet eene wijze hand zijn, die gekken wel zal scheren, er behoort veel verstand toe om met dwazen om te gaan;
— honderd schoolmeesters (of kosters), negen en negentig gekken, of wel, honderd en een gekken, want er is een dubbele bij, gezegd ter aanduiding hunner pedanterie, waanwijsheid;
— kinderen en gekken zeggen (of spreken) de waarheid, uit den mond van kinderen en gekken kan men de waarheid hooren;
— veel beloven en weinig geven doet de gekken in vreugde leven, dwazen laten zich met ijdele beloften paaien;
— voor gek spelen, voor potsenmaker of hansworst spelen, door allerlei dwaasheden, zotternijen of koddige scherts anderen aan het lachen brengen;
— de nar, dien vorsten of adellijke heeren er op nahielden om zich met zijne dwaasheden, grappen en boertige taal te vermaken;
— de nar in een blijspel, inz. de komiek der vroegere rederijkers, die in de kluchten eene hoofdrol vervulde en de toeschouwers door zijne grappen en boertige taal vermaakte;
— de hansworst, die een kwakzalver of goochelaar vergezelde en door zijne grappen en snakerijen de menigte lokte;
— gekken, de leden van een aan Momus, den god der dwaasheid, gewijd narrengild of narrengezelschap in vroegere eeuwen;
— zich van den gekken (den dommen) houden, zich dom en onnoozel houden, doen alsof men van de zaak niets afweet of iemands bedoeling niet vat (omdat men zich niet wil uitlaten of zich van lastige vragers en indringers wenscht af te maken);
— iemand die voor een persoon of eene zaak een bijzonder zwak heeft, er buitensporig op verzot is, meest in samenstellingen gebezigd, als jongensgek, kindergek, meisjesgek, vrouwengek, boekengek, modegek;
— die oude gek !, van een grijsaard gezegd die van de vrouwen houdt;
— het is zooveel waard als een gek er voor geven wil, in toepassing op zaken wier waarde alleen afhangt van den veelal buitensporigen prijs, dien een liefhebber er voor bieden wil;
— gekstok, gekskolf, staf der narren, met een Momuskop versierd, dien zij behendig in hun wijde mouwen wisten te verbergen, om hem onverwachts te voorschijn te brengen hij draagt den gek in de mouw, hij verbergt zijne dwaasheid de gek (het gekje) kijkt (of springt) (hem) uit de mouw{en), zijne dwaasheid komt voor den dag, zijne kuren worden merkbaar. GEKJE, o. (-s).

3. gek - GEK, m. (-ken), (bouwk.) beweegbare, met den wind meedraaiende kap, die men op een schoorsteen plaatst om het rooken te verhelpen en welke tevens als windwijzer dienst doet;
— sluiting eener deurklink, die belet dat de deur van buiten kan worden geopend;
— (aan eene pomp, inz. op zeeschepen) de knie of mik aan het boveneind eener houten pomp, waarop de stok of hefboom steunt, die den zuiger op en neer beweegt.