Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schieten

betekenis & definitie

Schieten - (schoot, heeft geschoten), plotseling en snel zich ergens heen bewegen of bewogen worden: de valk schoot op den reiger; de snoek schoot naar onderen;

— hij schoot naar mij toe, op mij af, kwam, liep snel op mij af;
— laat hem schieten, laat hem heen gaan, zich verwijderen, (ook) bemoei u niet meer met hem;
— de vlieger schoot in de hoogte, ging snel omhoog;
— de bliksem schiet door de lucht,
— de wind schiet naar ’t oosten, liep snel daarheen om;
— (rijsch.) dat paard schiet goed in den galop, begint flink den galop;
— de pannen schoten van het dak, gleden, vielen, waaiden van het dak;
— het mes schoot hem uit de hand, plotseling ontglipte het hem;
— de pijl schoot uit den boog, werd met kracht voortgeworpen;
— plotseling komen: daar schoot mij wat door het hoofd of in de gedachte, daar kwam mij iets in de gedachte;
— zijn naam wil mij niet te binnen schieten, ik kan nu niet op zijn naam komen;
— de tranen schoten haar in de oogen, plotseling waren hare oogen vol tranen;
— in den lach schieten, plotseling hard lachen;
— uit den slaap, wakker schieten, met zekeren schrik ontwaken;
— plotseling vallen: voorover op den grond schieten, met het hoofd vooruit plotseling vallen; uit een wagen, uit het venster schieten;
— vieren, loslaten: een touw laten schieten; (zeew.) het want, een steng schieten, laten zakken; (rijsch.) den teugel van een paard laten schieten',
— (fig.) de teugels laten schieten, meer vrijheid laten, niet zoo streng meer besturen, regeeren;
— een woord laten schieten, laten ontvallen, glippen;
— opkomen, uitbotten, groeien: de aardappelen schieten, de oogen krijgen uitloopers;
— de bloembollen, de uien schieten, het stengeldeel groeit uit;

— de boomen schieten knop, schieten in het blad, krijgen knoppen, bladeren;
— overal schiet het onkruid uit den grond, komt het uit den grond op;
— de salada, andijvie schiet in het zaad, groeit door, krijgt bloemen en zaad;
— het koren begint reeds in de aren te schieten, de vrucht begint zich te zetten;
— de boomen schieten wortel, krijgen wortels;
—(fig.) die ondeugd heeft in zijn hart wortel geschoten;
— de planten schieten goed in de hoogte, groeien flink op ;
— uit zijne kracht schieten, te snel groeien, waardoor het weerstandsvermogen, de gezondheid lijdt;
— wat met zekere kracht, snelheid of spoed geschiedt : de zon schoot hare stralen loodrecht op onze hoofden, hare stralen kwamen brandend heet op ons neer;
— (fig.) toornige blikken schoten uit zijne oogen;
— kuit schieten, werpen;
— de netten schieten, uitwerpen;
— brood in den oven schieten, met de schietplank er in brengen;
— geld schieten, met worpen tellen, (ook) geld uitleenen, verschaffen, voorschieten: wie heeft het geld geschoten?;
— wit papier tusschen de bladen van een boek schieten, invoegen;
— ballast, koren schieten, verwerken, omscheppen;
— eene sloot, een kuil schieten, vlug delven;
— (fig.) ergens een schotje voor schieten, voor het vervolg beletten;
— geschut of vuurwapens lossen : met een geweer,een kanon, een pistool schieten; met pijl en boog schieten; met een klapbus of propbus schieten;
— met kogels, los kruit, scherp, schroot schieten; de vijand schiet onophoudelijk;
— door schieten verwonden : iem. in den arm, in de borst schieten
— iem., zich voor den kop schieten, met kogels doodschieten;
— iem. overhoop schieten, doodschieten;
— met de pijl der liefde geschoten zijn, plotseling verliefd geraakt zijn; eene bres, een fort plat schieten; een schip in den grond schieten, in den grond boren;
— (jacht.) treffen, doodschieten : hazen, eendvogels schieten; een vogel in de vlucht schieten; de jagers hebben niets geschoten;
— een walvisch schieten, met den harpoen treffen;
— dit kanon schiet 10 pond, kogels van 10 pond worden er mede geschoten;
— dat geweer schiet ver, juist, men kan er ver, juist mee schieten;
— met spek schieten, grootspreken, bluffen, leugens vertellen;
— een bok schieten, zie bok; een blinde schiet wel eens eene kraai, hetgeen onmogelijk schijnt, gebeurt wel eens;
—te kort schieten, niet ver genoeg, (inz. fig.) gij schiet bij hem te kort, hij overtreft u; zijne krachten schoten daarvoor te kort, hij kon dat niet volbrengen ; onze voorraad, mijn geld schoot te kort, er was niet genoeg daarvan;
— schietende op iets mikken : naar de schijf, naar ’t wit schieten; naar den vogel, den papegaai schieten;
— de zon schieten, poolshoogte nemen. SCHIETING, v. (-en), het schieten.