Hout
o. (-en), 1. (stofn.) in botan. zin dat deel van het plantenweefsel dat door verdikking der vaten en afsterving van protoplasten stijf en hard wordt; in het alg. het harde, door de bast bedekte gedeelte der stammen en wortels van bomen en heesters : een voer, een lading, een stuk hout; een e(i)ndje hout, een lat; — in het hout schie...