Wat is de betekenis van hout?

2020
2020-12-05
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

hout

Het begrip hout heeft 3 verschillende betekenissen: 1) harde stof. harde stof waaruit de stammen en de takken van bomen en heesters bestaan; ook: soort hout. In toepassing op het hout aan de boom en in toepassing op hout als materiaal. 2) golfclub. golfclub, vroeger met een houten clubhoofd. 3) de houten blaasinstrumenten....

Lees verder
2020
2020-12-05
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

hout

(1950, vero.) (Vlaanderen, Barg.) (vaak meerv.) geld. • Hout. Wordt veel in de meervoudsvorm gebruikt, en wordt uitge sproken: haten. - Vijf houten, twintig houten = vijf frank, twintig frank. Waarschijnlijk afgeleid van het bolspel, waar er dan spraak is van het winnen met drie houten (drie houten bollen). (Oostvlaamsche Zanten. Mededeling...

Lees verder
2019
2020-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hout

hout - Zelfstandignaamwoord 1. (n) het materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc) 2. (m) bos, park, bijv. Haarlemmerhout, Kralingerhout, Leidse Hout We hebben heerlijk in de hout gewandeld.

Lees verder
2018
2020-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hout

hout - zelfstandig naamwoord 1. stof waaruit bomen bestaan ♢ deze kast is van hout gemaakt 1. hij is uit het goede hout gesneden [is eerlijk en betrouwbaar] 2. we moeten op een...

Lees verder
2017
2020-12-05
Muzikanten

Jargon & Slang van muzikanten, discjockeys en popliefhebbers

Hout

Hout - muzikantenslang voor klarinet of trommelstokken.

2002
2020-12-05
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

hout

Hout is een: 1) gegroeid materiaal; dat gedeelte van een boomstam dat door de bast wordt bedekt; loodrecht op de lengte van de stam doorgezaagd zijn de jaarringen te zien; het gedeelte met de brede, lichtgekleurde ringen is het voorjaarshout; het gedeelte met de smallere, donker gekleurde ringen is het najaarshout; in zomer en winter staat de groei...

Lees verder
1985
2020-12-05
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HOUT

gehucht in de Noordbrabantse gemeente Geldrop.

1974
2020-12-05
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

hout

of xyleem, weefsel waaruit stammen en takken van loof- en naaldbomen zijn opgebouwd. Primair xyleem ligt in vaatbundels van wortels en stengels, ook bij kruidachtige planten, heeft steun- en transportfunctie. Secundair xyleem; hout, ontstaat uit cambium.Het spinthout (buitenste) leeft nog, het kernhout (binnenste) is dood, bevat hars en looistoffen...

Lees verder
1973
2020-12-05
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hout

o. (-en), 1. (stofn.) planteweefsel dat door verdikking van de vaten en afsterving van protoplasten stijf en hard wordt; in het algemeen het harde, door de bast bedekte gedeelte van de stammen en wortels van bomen en heesters (e): een stuk —; in het schieten, (van een boom) in plaats van vrucht te zetten, nieuw hout maken; groen -, levend ho...

Lees verder
1971
2020-12-05
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Hout

Hout - Enige voor de jachtbouw gebruikelijke soorten: Teak is het duurzaamste, goudgeel van kleur; krijgt door licht en lucht een donkerder tint. Op zoet water krijgt het aan de oppervlakte een grijsbruin verweringslaagje, dat gemakkelijk weer weg te schuren is. Op zee daarentegen bijten de in het water aanwezige mineralen het teakhout uit waardoor...

Lees verder
1958
2020-12-05
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

HOUT

Brug (bijv. Weidumerhout). Houtsje, vonder; heechhout, hoge voetbrug, zie Brug.

Lees verder
1949
2020-12-05
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Hout

Hout noemt men het houtlichaam, dat voorkomt bij verschillende plantensoorten en dat ontstaat door de werking van het teeltweefsel (cambium). Het bestaat uit houtvezels en H.-vaten, waartussen het H,-parenchym ligt. Een loofhoutstam op dwarse doorsnede laat verschillende ringen zien. naar buiten afgesloten door een lichtere laag, de groei van een j...

Lees verder
1928
2020-12-05
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Hout

Wat zou de wereld zijn zonder hout. We kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. Natuurlijk zou de mens zich ook dan weten te redden; trouwens voor de meeste producten, waar hout in of aan verwerkt is, heeft men thans reeds een vervanger, waar geen hout in zit.Denk maar aan de stalen meubelen die de houten zouden kunnen vervangen, aan ijzeren dwarslig...

Lees verder
1916
2020-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Hout

Hout - is een weefsel van de plant, dat zich onderscheidt door de ligging en door de elementen, die er in aangetroffen worden. De vaten, die er in voorkomen, zijn houtvaten, d. w. z. zij hebben in volwassen toestand geen levenden inhoud, maar water of lucht, of beide. De wanden zijn evenals die van de andere houtelementen, dikwijls verhout, d. w. z...

Lees verder
1910
2020-12-05
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Hout

Hout - Keij, G., Vademecum voor den houtkooper. geb. f 3.90. Amsterdam. Allert de Lange. — Laris, E., Nachf., TaschenLexikon holzhändlerischen Fachausdrücke. Leipzig, Amthor. M 1.60. — Mammen, F., Sachsens Holz verkehr u. Holzhandel in Einzeldarstellungen. I. Der Holzverkehr auf d. sächs. Eisenbahnen in d. J. 1883—1907. Leipzig, Teubner. M 15.—....

Lees verder
1900
2020-12-05
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

hout

Hout is een bouwmateriaal, afkomstig van boomstammen en -takken. Naast merg, spint en schors vormt het daarvan het voornaamste bestanddeel. Ten noorden van de Alpen is hout van oudsher het belangrijkste bouwmateriaal. Onderscheiden worden naaldhout van naaldbomen (dennen, grenen, vuren) en loofhout van loofbomen (eiken, beuken enz.). De stammen wer...

Lees verder
1898
2020-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hout

HOUT, o. het harde, door den bast bedekte gedeelte der stammen en wortels mn boomen en heesters: eikenhout, beukenhout, grenenhout, djatihout enz.; timmerhout, werkhout, brandhout, verfhout enz.; in het hout schieten, (van een boom) in plaats van vrucht te zetten, nieuw hout maken; — groen hout, versch hout; dor hout; dood hout; kwastig hout;...

Lees verder
1898
2020-12-05
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Hout

zie Bosch.

1870
2020-12-05
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Hout

Hout noemt men het hardere gedeelte van den stam en wortel van boomen en heesters, alsmede van sommige kruidachtige gewassen. Men heeft daarin tweederlei vaten, namelijk spiraalvaten in de primaire of eerstgevormde, en gestippelde vaten in de secundaire of later gevormde houtlaag. Tusschen die vaten bevinden zich de langwerpige, buisvormige houtcel...

Lees verder