Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Helm

betekenis & definitie

1. HELM, m. (-en), zeker lederen of metalen hoofddeksel om in den strijd het hoofd te beschutten hij had een koperen helm op zijn hoofd; zijn zwaard kloofde den helm; helmen met wapperende pluimen;

— thans nog als hoofddeksel bij sommige legers in gebruik, alsook bij de politie, brandweer enz.;
— (wapenk.) afbeelding van een ridderhelm, met helmteeken en dekkleed en (lambrequins) getooid, boven het wapenschild: een open helm, een helm met traliën, waardoor men de voering ziet; een gesloten helm, waarvan het vizier gesloten is; een aanziende (of halfaanziende) helm, die recht (of schuin) is geplaatst; (fig.) (bijb.) neemt den helm der zaligheid en het zwaard des geestes; hij trok gerechtigheid aan als een pantsier, en den helm des heils zette hij op zijn hoofd;
— (bij vergelijking) het vlies dat bij de geboorte het hoofd van sommige kinderen omgeeft en waaraan het bijgeloof vroeger bijzondere eigenschappen toeschreef hij is met den helm geboren, ’t is een gelukskind, (ook) hij heeft de gave om rampen (b. v. sterfgevallen) vooruit te zien aankomen; (in Zuidn.) hij is gelukkig in al wat hij onderneemt;
— (scheik.) het gewelfde deksel van een distilleerkolf;
— spitse kap van een kerktoren; onderste wijdere gedeelte van een schoorsteenpijp, schoorsteenboezem;
— omhulsel of bedeksel voor het hoofd van een helmduiker;
— bovenste deel eener lipbloem. HELMPJE, o. (-s).
2. HELM, m. (-en), (pap.) de steel van den stamper die de lompen week en klein maakt, ook vleugel geheeten;
— (scheepst.) helmstok.
3. HELM, v. zekere duinplant, eene soort van rietgras (ammophila arenaria); Noorsche helm (ammophila baltica) de duinen met helm beplanten om het verstuiven tegen te gaan.
4. HELM, m. (Zuidn.) weergalm.