Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heim

betekenis & definitie

HEIM, ook HEEM, o. woonplaats, erf; nog over in samenst. als heimwee, heemraad, in afleidingen als inheemsch, uitheemsch, heimelijk enz., in vele plaatsnamen, als Heemstede, Sassenheim, Arnhem, Ellekom, Hilversum, Petten;

— (gew.) heining, heg.