Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heimelijk

betekenis & definitie

HEIMELIJK, bn. bw. (-er, -st), geheim, geheim gehouden, verborgen, aan het oog onttrokken: een heimelijk gemak, geheime bestekamer; ik had een heimelijk verlangen om weer thuis te zijn; zich niet uittende: een heimelijk genoegen; heimelijke jaloezie; een heimelijke aandrift, duister, raadselachtig;

— (Zuidn.) gluiperig, geniepig: een heimelijke deugniet; hij heeft een heimelijk gezicht;
— bw. in het geheim, op steelsche wijze ergens heimelijk binnensluipen; hij is heimelijk gevlucht;
— (gew.) hij heeft heimelijk wat geld, zeer veel geld.
HEIMELIJKHEID, v. verborgenheid, afzondering eene in heimelijkheid verrichte handeling;
—, (Zuidn.) geniepigheid
— (...heden), (veroud.) sekreet, bestekamer (komt nog in de Staten-vertaling voor in Matth. 15 17 en Marc. 7 19).