Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

School

betekenis & definitie

Het begrip school heeft 2 verschillende betekenissen:

1. school - school - v. (scholen), inrichting waarin aan vele personen (inz. aan kinderen) tegelijk onderwijs gegeven wordt: school gaan; een kind op school doen; op school komen; de school verzuimen; stil uit school blijven; school voor jongens, voor meisjes; de gemengde school, voor jongens en meisjes samen; school voor volwassenen;
— wanneer men meer let op den aard van het onderwijs: hooge, middelbare en lagere scholen; volks-, burgerschool; Latijnsche school; school voor huisvlijt, handenarbeid, landbouw, voor blinden; eene ouderwetsche, moderne school;
— die school is goed, de kinderen leeren er flink;
— de openbare school, die van de overheid uitgaat;
— bijzondere scholen, door particulieren of vereenigingen opgericht;
— de neutrale school, waar neutraal onderwijs gegeven wordt;
— sekteschool, dogmatische school, waar het onderwijs op godsdienstigen grondslag gegeven wordt; school met den bijbel;
— normaalschool, kweekschool, zie ald.;
— de school gaat aan, uit, begint, eindigt;
— de school duurt tot 12 uur, tot zoo laat wordt er onderwijs gegeven;
— er is vandaag geen school, heden wordt er geen onderwijs gegeven;
— (fig.) uit de school klappen, geheimen vertellen, overbabbelen;
— dat was voor hem eene school des gedulds, daarbij moest hij zeer veel geduld hebben, daar kon hij leeren geduld hebben;
— zuinigheid in de school der armoede geleerd;
— de school der goede zeden, waar men goede zeden leert;
— hij is daar op eene goede school, daar kan hij veel leeren;
— hij is daar op zijne hoogste school, daar zal hij wel geheel en al bedorven worden;
— boek waaruit men in geregelde orde en opklimming iets leert: school voor de piano; school voor vioolspelers; rekenschool;
— alle personen die in eene school onderwijs ontvangen of geven : de heele school was wandelen; daardoor was de geheele school in opschudding;
— gebouw waarin school gehouden wordt (in deze bet. ook o.): eene twaalfklassige school; eene nieuwe, oude, groote, kleine , vervallen school;
— (op kunsten, wetenschappen, letterkunde toegepast) : school maken, volgelingen en medestanders verkrijgen voor eenig idee; stelsel, leerwijze, zekere gelijkheid in richting, inz. de navolging van groote meesters: de school van Raphaël, van Rembrandt, van Rubens; de Italiaansche, de Vlaamsche, de Hollandsche school, op het gebied der schilderkunst;
— de Romantische, de Klassieke school; de school der 'naturalisten, van Zola, op het gebied der letterkunde;
— de school van Aristoteles, van Plato, van Kant, van Herbart, op het gebied der wijsbegeerte;
— (rijsch.) regelmatige oefening van alle bewegingen, zoowel in betrekking tot het rijdier als tot den berijder: de school afrijden; dit paard is in de hooge school gedresseerd. SCHOOLTJE, o. (-s).

2. school - school - v. (scholen), groote menigte, verzameling : eene school visschen;
— gedeelte van een vischnet tusschen twee kurken: een net van 6 scholen drijft dus op 7 kurken.