Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Bloed

betekenis & definitie

Het begrip bloed heeft 2 verschillende betekenissen:

1. bloed - BLOED, o. vloeistof in het dierlijk organisme, waaruit al de organen gedurende het leven hunne voedende bestanddeelen putten en waardoor ook al die stoffen worden opgenomen welke, als producten der stofwisseling in de weefsels, uit het organisme moeten verwijderd worden; inz. die roode vloeistof bij menschen en de hoogere dieren; aderlijk, slagaderlijk bloed, waterachtig, galachtig, vuil, bedorven bloed? wit bloed der lagere diersoorten;
— in dien roman zijn de menschen van vleesch en bloed, zooals zij werkelijk bestaan; iem. ten bloede toe geeselen;
— mijn vinger is aan bloed, bloed komt er uit;
— het bloed spoot hem uit neus en mond;
— (fig.) etter en bloed zweeten, duizend angsten uitstaan;
— iem. het bloed onder de nagels vandaan halen. het uiterste van hem vergen;
— zij heeft eene kleur als bloed, hoogroode kleur;
— eene vrouw als melk en bloed, blank van vel en blozend van gezondheid;
— gewelddadig vergoten bloed er zal bloed stroomen, gewonden en dooden zullen er zijn;
— de opstand werd in bloed gesmoord, gedempt door den dood der betrokkenen;
— in zijn bloed baden, zwaar gewond liggen;
— naar bloed dorsten, zich wreedaardig toonen;
— iemands bloed vergieten, hem dooden;
— wij moeten bloed zien, zoolang vechten, tot er bloed vloeit, (ook scherts.) zoolang spelen, tot minstens ééne partij gewonnen wordt;
— goed en bloed, bezittingen en leven;
— het vaderland, iets met goed en bloed verdedigen, er alles voor over hebben, alles er voor willen opofferen;
— (bijb.)zijn bloed kome over ons, men geve ons de schuld van, de straf voor zijn dood;
— mijn bloed kookte, ik werd driftig;
— (scherts.) als mijn bloed karnemelk wordt, wanneer ik kwaad word;
— dat zet kwaad bloed, geeft verbittering;
— hij heeft geen druppel kwaad bloed in zijn geheele lijf, hij is door en door goed;
— dat zit hem in het bloed, in den aard, het karakter zijner familie;
— goed bloed ontaardt niet, een goeden aard verloochent zich niet;
— Calvinisten in merg en bloed, in al hun doen en denken;
in koelen bloede, bedaard, met kalm overleg;
— (R. K.) het doopsel des bloeds ontvangt een ongedoopte, die in den strijd voor het geloof sterft;
— (R. K.) het bloed van Christus, de geconsacreerde wijn na de nuttiging van het heilig bloed reikt men de communie uit;
— iem. in den bloede bestaan, na in den bloede zijn, een bloedverwant van hem zijn;
— van koninklijken bloede, afkomst;
— prinsen van den bloede, tot de vorstelijke familie behoorende;
— de inspraak van het bloed volgen, zijne familie helpen, steunen, voorspreken;
— eigen bloed bevoordeelen, eigen familie;
— ‘t is mijn eigen bloed, kind, (of ook) familielid;
— mijn eigen vleesch en bloed, mijn eigen kind;
— eigen bloed gaat voor, familie wordt voorgetrokken;
— het bloed kruipt, waar het niet gaan kan, bloedverwantschap laat zich altijd bespeuren, de aard verloochent zich ook onder de ongunstigste omstandigheden niet;
— wien Neerlandsch bloed in de adren vloeit, wie Hollander, Nederlander is;
— wij moeten nieuw bloed in het bestuur hebben, nieuwe menschen, die eens een anderen kijk op de dingen hebben;
— (dicht.) het bloed der druiven, het sap.

2. bloed - BLOED, m. (-en), arme bloed, onnoozele bloed, arm, beklagenswaardig mensch. Bloedje, o. (-s), kleine onnoozele; arm, ongelukkig, beklagenswaardig kind die bloedjes van kinderen.