Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glipper

betekenis & definitie

GLIPPER, m. (-s), (hist.) tijdens de Spaansche troebelen, benaming der uit de steden van Holland uitgeweken Spaansch- en Roomschgezinden;

— een glipper(tje) maken, heimelijk een ongeoorloofd uitstapje doen.