Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glimlachen

betekenis & definitie

GLIMLACHEN, (glimlachte, heeft geglimlacht), het gelaat tot een glimlach plooien (als uiting van welwillendheid, vergenoegdheid, weemoed, meerderheid, spot, ironie enz.): zij glimlachte vriendelijk; ik moest om zijne onnoozelheid glimlachen; spottend, minachtend, schamper glimlachen.