Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eenheid

betekenis & definitie

EENHEID, v. (...heden), de willekeurige maat die men heeft aangenomen om daarmede andere grootheden van dezelfde soort te vergelijken;

— concrete eenheid, eene bepaalde grootheid: ééne el, één dag, één jaar enz.;
— abstracte eenheid, één;
— eene verzamelende eenheid, eene hoeveelheid die men als nieuwe eenheid aanneemt;
— samenstellende eenheid, eenheden waaruit de verzamelende samengesteld is;
— de imaginaire eenheid is
— 1;
— (krijgswezen) strategische eenheid, groote legerafdeling uit verschillende wapens samengesteld;
— taktische eenheid, een bataljon of eskadron;
— evolutie-eenheid, onderdeel van eene taktische om deze laatste gemakkelijker van de eene formatie in de andere te doen overgaan;
— administratieve eenheid, onder eene zelfde administratie staande;
— (opvoedkunde) methodische eenheid, onderdeel der leerstof dat op zich zelf een min of meer afgerond geheel vormt;
— één, eenig en onverdeeld bestaan;
— alleenheid, afgezonderdheid (in daden);
— (fig.) eensgezindheid, overeenstemming, harmonie: er heerschte geene eenheid; eenheid van beginselen; (in tooneelstukken) eenheid van tijd, plaats en handeling;
— eenheid eener schilderij, dat een zelfde denkbeeld in de voorstelling heerscht, (vaak dat er een hoofdgroep aanwezig is).