Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Maat

betekenis & definitie

1. Maat v. (maten), middel om er mee te meten: het stelsel van maten en gewichten; Iengte-, vlakte-, inhoudsmaat, maten voor natte en droge warm; (wisk.) gemeene maat, zie gemeen;

strook waarmede kleermakers, schoenmakers enz. de maat nemen; maatstok; letterzettersgereedschap;
— (fig.) iem. de maat vol meten, iem. zooveel geven als men maar kan (ook in eene slechte beteekenis);
— de maat is vol, het is nu genoeg; (ook fig.);
— met twee maten meten, (Zuidn.) twee maten en twee gewichten hebben, niet onpartijdig zijn, verschillend handelen of spreken volgens de personen;
— met de maat waarmede wij anderen meten, zal ons ook gemeten worden, zooals wij anderen behandelen zullen wij op onze beurt behandeld worden;
— er blijft te veel aan maat en strijkstok hangen;
— uitkomst eener meting, de juiste afmeting of grootte: de maat van iets bepalen; de maat van iets nemen;
— eene bepaalde, vereischte grootte onder de maat zijn, de maat niet houden, niet hebben, de vereischte lengte niet hebben b. v. voor den krijgsdienst;
— den vereischten inhoud niet hebben die flesschen, zakken houden de maat niet;
— dat is mijn maat niet, die kleeren enz. passen mij niet;
— ieder arbeide naar de maat van zijn vermogen, naar hij kan; (fig.) met mate, bedaard, kalm, niet te wild, niet te veel; boven mate, te veel, buitensporig;
— hoeveelheid in eene maat bevat: deze koopman geeft eene goede maat;
— (muz.) de afgemeten beweging volgens eene vastgestelde tijdmaat, (ook) elke gelijke afdeeling van toon, waarde of toonduur: de maat aangeven; de maat slaan; de maat houden; in de maat spelen of zingen; buiten, uit de maat gaan; twee maten rust; (dicht.) rythmus, versmaat. MAATJE, o. (-s), kleine maat; zekere inhoudsmaat = 0,1 Liter.
2. Maat m. (-s), makker, kameraad, metgezel: Jan Rap en zijn maat, het gemeene volk; met iem. maat zijn, zeer eigen met hem zijn; goede maatjes zijn, goede vrienden zijn; iem. met wien men samenspeelt, partner ;werkgast, gezel. MAATJE , o. (-s), vriendje, jongen, knaap, handwerksleerling jong maatje, zie jongmaatje.