Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

2018-09-01

Bijnaam

betekenis & definitie

BIJNAAM, m. (...namen), toenaam Hendrik IV verdiende den bijnaam van „de Groote”;

— spotnaam hij droeg den bijnaam van Buikje; iemand een bijnaam geven.