Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bewaren

betekenis & definitie

BEWAREN, (bewaarde, heeft bewaard), iem.. iets in zijne hoede nemen, beschermen zijne onschuld bewaren; wien God bewaart, is wel bewaard;

— God bewaar me, God beware uitroep van verwondering of afkeuring;
— Heere, bewaar mij voor mijne vrienden, van zijne vrienden heeft men soms meer last dan gemak;
— voor eene ziekte bewaard blijven, daardoor niet aangetast worden;
— God heeft ons wonderlijk bewaard, uit het gevaar gered;
— het toezicht houden op een huis, bij afwezigheid van den eigenaar, vgl. huisbewaarder;
— bewaar u voor den booze, neem u voor hem in acht;
— Gods geboden bewaren, in eere houden;
— in acht blijven nemen, er niet van afwijken zijne kalmte bewaren; een diep stilzwijgen bewaren; de orde bewaren, handhaven;
— vele oude gebruiken zijn bewaard gebleven, niet verloren gegaan;
— zijn evenwicht bewaren, niet verliezen;
— allerlei aanteekeningen bewaren, niet wegdoen. niet vernietigen:
— de kwitanties moet m,en bewaren;
— inz. in eene bergplaats om ze ongeschonden te houden oudheden en schilderijen die in de musea bewaard worden;
— een geheim bewaren, niet oververtellen;
— eten bewaren, wegsluiten;
— (scherts.) wat voor morgen bewaren, morsen bij het eten. BEWARING, v het bewaren; huis van bewaring, kantonnale gevangenis; iem. iets in bewaring geven.