BAKJE betekenis & definitie

o. een kleine bak ; centen-, speldenbakje, zaadbakje, (in vogelkooien); — met het bakje rondgaan (van kermisgasten enz.), centen ophalen; — schoteltje, kommetje (gemeenz.) een bakje koffie; nog een bakje zetten; — de vrouwen zetten een sterk bakje, babbelen veel; — een bakje nemen, een rijtuig; — een gezicht zetten als (een) bakje, zijne lip op het derde knoopsgat laten hangen.