Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

2018-08-31

BAKJE

betekenis & definitie

o. een kleine bak ; centen-, speldenbakje, zaadbakje, (in vogelkooien);

— met het bakje rondgaan (van kermisgasten enz.), centen ophalen;
— schoteltje, kommetje (gemeenz.) een bakje koffie; nog een bakje zetten;
— de vrouwen zetten een sterk bakje, babbelen veel;
— een bakje nemen, een rijtuig;
— een gezicht zetten als (een) bakje, zijne lip op het derde knoopsgat laten hangen.