2019-11-22

Bakje

De borrel naam bakje was in Noord en Zuid wijdverbreid en is dus in een groot aantal woordenboeken en dialect verzamelingen opgetekend. Het woord is in deze betekenis in 1839 voor het eerst gevonden. Al vanaf de 16de eeuw wordt hak in het Nederlands gebruikt voor 'drinkbeker, kelk'. In Vlaanderen was het bovendien een 'maat voor eenige natte waren'. Met een bakske werd daar l/8 liter aangeduid. 'Een bakske genever', verduidelijkt een West-Vlaams dialect woordenboek in 1873, 'is een dubbele dreup...

2019-11-22

bakje

bakje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bak

2019-11-22

bakje

a. Papieren of porseleinen bakje, bestemd voor o.a.ragoutvullingen (= caisse); b. Ovale of ronde bakjes, gemaakt van korst- of bladerdeegdie gevuld kunnen worden met o.a. ragout e.d. (= barquettes) ​

2019-11-22

BAKJE

o. een kleine bak ; centen-, speldenbakje, zaadbakje, (in vogelkooien); — met het bakje rondgaan (van kermisgasten enz.), centen ophalen; — schoteltje, kommetje (gemeenz.) een bakje koffie; nog een bakje zetten; — de vrouwen zetten een sterk bakje, babbelen veel; — een bakje nemen, een rijtuig; — een gezicht zetten als (een) bakje, zijne lip op het derde knoopsgat laten hangen.

2019-11-22

Bakje

Bakje - o. (-s), 1. kleine bak: het drupt, zet er een — onder; 2. kopje: een — koffie; nog een — zetten.