Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Wild

betekenis & definitie

I. bn. bw. (-er, -st),

1. zoals voorkomend in de natuur, in de natuurstaat; (van planten) niet veredeld: wilde rozen; een wilde appelboom ; — (van dieren) niet tam : wilde eenden, konijnen ; wild zwijn, everzwijn ; — inz. verscheurend : een bos vol wilde dieren; — (van mensen) onbeschaafd: de wilde volken;
2. onbeheerst in zijn uitingen, onstuimig : een wilde hengst; — woest, ruw : een wilde jongen ; wilde gebaren ; wild te werk gaan ; (zelfst.) in het wilde, op goed geluk, zonder doelen (vgl. de bet. II); ook in het wilde weg, er maar op los: hij redeneert, schiet maar in het wilde weg ;wilde hartstochten, onbeteugeld ; — loszinnig, onbedachtzaam, niet ingetogen: een wilde meid; — de wilde haren zitten er nog in, hij is nog onbedachtzaam en dartel;
3. in meerdere of mindere mate buiten zichzelf, verbijsterd, dol: maak het dier niet wild ; wild om zich heen zien ; het was er een wild geschreeuw, woest door elkander; — de Wilde Jacht, (in het volksgeloof) de als een voortjagende stoet gedachte oude Germaanse goden, die, omdat er op aarde en in de hemel geen plaats meer voor hen is, tot de jongste dag over de velden moeten waren ; — (gemeenz.) wild op iets zijn, er dol op zijn ;
4. onbebouwd : wilde streken ; —oneig. in enige vak- en techn. termen : een wilde staking, een spontane, niet-georganiseerde staking; — (geneesk.) wild vlees, sponsachtige woekering van bleekrood vlees (granulatieweefsel) die zich boven het huidoppervlak verheft, vooral op ontvelde plekken en in wonden en zweren ; — wilde lucht, uitademingslucht die niet gebruikt wordt om de stembanden in trilling te brengen; — wild bier, dat te sterk schuimt; — wilde vaart, vrachtvaart niet in lijndienst, maar van de ene plaats naar de andere volgens telkens nieuwe opdracht; een wilde boot, trampboot; wilde schippers, die geen vaste vrachtdienst onderhouden ;

II.zelfst. gebr. in onverb. vorm in de uitdr. in het wild, in wildheid, wilde staat, natuurtoestand : die bloemen groeien in het wild, zijn niet gekweekt; die dieren leven er in het wild, worden er niet door de mensen verzorgd ; — zijn kinderen in het wild laten opgroeien, ze geen opvoeding geven, zonder toezicht laten ; — (fig.) alles loopt er in het wild-, in het honderd, gaat er verward, ongeregeld toe ; III.zn. o., g.mv., de (in het wild levende) dieren waarop men jaagt: er zit daar nog veel wild; rood wild, herten, reeën ; zwart wild, wilde zwijnen : klein wild, hazen, gevogelte ; grof wild, beren, leeuwen, nijlpaarden enz.; — ook de geschoten dieren : een stilleven van wild en fruit; inz. als bestemd om gegeten te worden.