Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Twist

betekenis & definitie

I. m. (-en),

1. onenigheid, geschil, krakeel, gekijf, verdeeldheid, ruzie, tweedracht: twist krijgen, zaaien, zoeken; in twist geraken; binnenlandse twisten;
2. zekere drank, uit brandewijn, bier en eieren bereid.

II. v.,

1. het aantal ineendraaiingen van getwijnd garen per lengte-eenheid.
2. zekere garenmaat; van iedere klos moet 12 twist komen.

III. o., machinaal gesponnen katoengaren.