2019-11-18

Twist

Twist - in het circusjargon een combinatie van een pirouette en een salto. Bij vliegende-trapeze-en springplanknummers.

2019-11-18

twist

De twist is een dans (1) uit de jaren zestig van de 20e eeuw, kenmerkend door draaiende bewegingen (zie beweging (4)) van benen en heupen.

2019-11-18

twist

twist - zelfstandig naamwoord 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ de twist tussen die families duurt al jaren 2. snelle, vrije dans uit de zestiger jaren van de vorige eeuw ♢ op dansles leerden we ook de twist dansen 1. een twist maken [een totaal ander standpunt gaan aanhangen]

2019-11-18

twist

twist - Zelfstandignaamwoord 1. een langdurig geschil Hopelijk kan die twist nu eindelijk bijgelegd worden. 2. een dans uit de jaren 1960 twist - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van twisten 2. gebiedenwijs van twisten

2019-11-18

Twist

Twist - ineendraaiïng van vezels of draden tot een enkelen draad; de mate van ineendraailng van vereenigde vezels of draden, aangeduid door het aantal draaiingen per lengte-eenheid, hetwelk afhangt van de vezelsoort, den aard en het doel van het garen en de fijnheid daarvan ; sterk ineengedraaid garen, kettinggaren.

2019-11-18

twist

twist - o. engelsch katoenen garen; muletwist; watertwist; (ook) zekere drank

2019-11-18

twist

twist, - o., machinaal gesponnen katoenen garens; rolletje tabak.

2019-11-18

Twist

Eensgezindheid in 't nooit eens worden

2019-11-18

twist

(Eng.) o. 1 machinaal katoengaren; 2 drank uit brandewijn, bier en eieren.

2019-11-18

Twist

Dorp in de N. Brab. gem. ➝ Oploo en Sambeek.