Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Caoutchouc

betekenis & definitie

1. zn. o., het melkachtig, harsachtig sap van zekere bomen, voornamelijk in Zuid-Amerika < Hevea brasiliensis of Para-rubberboom) en Indië (Ficus elastica of gomboom), dat in de lucht vast en rekbaar wordt, en waarvan buizen, slangen, kussens en vele andere voorwerpen worden vervaardigd; thans meest rubber, gummi en gomelastiek geheten ;

2. als bn., van caoutchouc (in samenst.).

< >