Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Pan

betekenis & definitie

Pan (Lat. faunus) is de zoon van Hermes of Apollo en de nimf Penelope of van Zeus en Kalliklo. Hij wordt voor het eerst in een homerische hymne beschreven en geldt daar als de god van bergen, weiden en landleven. Omdat hij de Atheners in 490 v.C. in de slag bij Marathon had geholpen tegen de Perzen, kreeg hij een eigen cultusplaats. Hij is een herdersgod (een van zijn attributen is de herdersstaf) en volgt Dionysos in diens thiasos of leeft met de nimfen. Zijn lichaam is dat van een mens, met soms de voeten en de kop van een bok. Meestal heeft hij horens en een sik, soms een staart. In de Romeinse tijd (waarin hij wordt geï-dentificeerd met Faunus) is de Panisca zijn vrouwelijke pendant. Hij bespeelt de syrinx (panfluit). Deze is gewonnen uit riet en genoemd naar een nimf die in riet veranderde toen zij door Pan was nagezeten en niet aan zijn avances had willen toegeven. Meestal duikt Pan plotseling op en kan hij angstaanjagend werken (paniek).

Hij is bij uitstek amoureus en jaagt vooral achter de nimfen aan, die dikwijls voor hem wegvluchten. Niet alleen de genoemde Syrinx wees hem af, ook de nimfen Echo en Pithys waren niet van hem gediend. Hij zou het volgens een bepaalde traditie zelfs hebben aangelegd met de maan-godin Selene/Artemis.

Met al die karaktertrekken en gedragingen is hij, zeker als hij is toegerust met bokkenpoten en tot het gevolg van Dionysos behoort, niet altijd scherp te onderscheiden van een Satyr. In de beeldende kunst is hij vanaf eind 6e eeuw v.C. populair. Op vazen is hij meestal lid van de thia-sos. Op een vaas van de ‘Pan-schilder’ ca. 470 v.C. achtervolgt hij een door hem begeerde jongen, terwijl op de andere zijde Aktaion door Artemis wordt neergeschoten. In de hellenistische tijd zijn er genrevoorstellingen in de beeldhouwkunst, ons overgeleverd in Romeinse kopieën: Pan als leraar van Daphnis, Pan die een sileen van een doorn in de voet bevrijdt, Pan die door Aphrodite met een pantoffel wordt afgeweerd (Pantoffelgroep uit Delos, ca. 100 v.C.). In de Pompeiaanse schilderkunst zit hij te midden van nimfen; op sarcofagen is hij opnieuw lid van de thiasos van Dionysos.

In de schilderkunst van de nieuwe tijd is hij geliefd in veelal pastorale voorstellingen van zijn liefdesverhoudingen of zijn jacht op geliefden. Een enkele keer gaat het om Pan en Selene/Artemis: Annibale Carracci in een fresco ca. 1600 in het Palazzo Farnese te Rome, Badalocchio eerste helft 17e eeuw. Dominerend is echter het thema van Pan in zijn achtervolging van Syrinx en haar transformatie in riet: o.m. fresco’s van Taddeo Zuccaro midden 16e eeuw in het Palazzo Farnese te Caprarola en van Annibale Carracci ca. 1600 in het Palazzo Farnese te Rome, schilderijen van Rubens in samenwerking met de landschapsspecialist Jan Brueghel de Oudere, meerdere malen in of rond 1617, voorts Jordaens ca. 1620, Poussin ca. 1635, Ricci 1703, Troy 1720 en vele anderen. Böcklin schilderde Pan met Syrinx 1854, een rustende Pan 1855 en Pan als veroorzaker van ‘Panischer Schrecken’ 1859 en 1860.

Deze herdersgod heeft natuurlijk zijn plaats in de pastorale literatuur, te beginnen met de Trionfo di Pan, dio de’ pastori van Lionardo detto Mescolino 1546. Zijn literaire positie heeft hij voorts te danken aan het feit dat hij toebehoort aan het domein van de natuur (vgl. Bacon in De sapientia veterum, 1609). Dat maakt dat hij veel voorkomt in de romantische en symbolistische dichtkunst: o.a. Keats 1816, Shelley 1824, Hugo 1831, Leconte de Lisle 1852 en 1895, Swinburne 1997, Wilde tussen 1876 en 1893. Een drama is er van Paul Claudel 1934. Dikwijls speelt het motief door van de dood van Pan, die volgens een over-levering via Ploutarchos (De defectu oraculorum) ten tijde van keizer Tiberius met donderende stem aan zeevaarders zou zijn verkondigd – een aanzegging die later werd geïnterpreteerd als een aankondiging van het einde van het heidendom door de dood en opstanding van Christus. In deze geest zijn er gedichten van o.m. Browning 1844, Pound 1912 en D’Annunzio 1904 met de sprekende titel Il gran Pan non è morto! Passages bij antieke dichters over het plotselinge en tot paniek voerende opduiken van Pan, vooral in de extatische middaghitte vinden een naklank op vele plaatsen in de gedichten van Wordsworth. In het langste gedicht in de Nederlandse letterkunde, het 12.000 regels tellende Pan 1912 (herziene versie 1916), stelt Gorter de natuurgod tegenover de mensheid, voorgesteld door een vrouw. Tussen de twee staat bezit en pas een goede verdeling daarvan kan het streven naar eenwording, dat wil zeggen het communisme, belonen.

Met de literaire opbloei van Pan in de dichtkunst van de 19e eeuw stemt zijn aanwezigheid in de muziek overeen, vooral in de liedkunst: o.m. Rimski-Korsakov 1898, Debussy 1898 op een tekst van Louÿs, Converse 1899 op een tekst van Keats, Elgar 1900 op een tekst van Ross.